Vertrouwen in plaats van angst

21 November 2013

Jean-Jacques De Gucht en Patrick Dewael passen voor het uitkleden van de rechtsstaat voor een virtuele veiligheid. Dit weekend congresseren de liberalen over de Toekomstverklaring waarin privacy een belangrijke plaats heeft.

Op 7 februari 1831 werd de Belgische grondwet aangenomen. Die gold destijds als één van de meeste liberale constituties ter wereld. Artikel 22 dat de privacy van elke burger waarborgt, was één van de hoekstenen. De hedendaagse drang naar veiligheid in het post 9/11-tijdperk zet dit fundamenteel grondrecht van elke burger echter onder druk. De burger verwordt meer en meer tot een potentiële crimineel en veiligheid wordt als een hoger goed dan het recht op privacy verkocht. Veiligheid zou pas gegarandeerd kunnen worden indien de drang naar privacy afneemt. Dat niet enkel het Amerika van de NSA en ‘surveillance drones’ getraumatiseerd de 21ste eeuw is ingestapt, blijkt uit de recente uitlatingen van de Antwerpse procureur-generaal die het DNA van elke nieuwgeboren baby wil verzamelen.

Dat ook onze baby’s als potentiële criminelen worden gezien, toont aan hoe ver de slinger is doorgeslagen, vooral sinds de opkomst van het terrorisme. Het is maar de vraag waar die slinger zal stoppen indien we dit toelaten? Worden kinderen met criminele ouders als een grotere bedreiging gezien? Kunnen verzekeringskantoren hogere kosten aanrekenen aan burgers met een verhoogde kans op leukemie? Het opeisen van onschuldig baby-DNA is meer dan één stap te ver. Privacy wordt met het badwater weggegooid.

Veiligheid is uiteraard net als privacy een grondrecht. De overheid moet ernaar streven elke burger zijn integriteit te garanderen. Technologische innovaties die dit recht dichterbij brengen, moeten worden omarmd. Maar het doel heiligt de middelen niet. Het streven naar het bieden van veiligheid aan de burger stopt wanneer de privacy van de burger buitensporig geschonden wordt. Een staat die van elke burger DNA verzamelt, gaat ervan uit dat elke burger een potentiële crimineel is. Een dergelijke politiestaat gaat niet uit van het vermoeden van onschuld, maar van de schuld tot het tegendeel bewezen is. De fundamenten van onze liberale grondwet worden in zulk een staat aangetast door conservatieve krachten. En zoals altijd teren de conservatieve krachten daarbij op dezelfde voedingsbodem om dit te realiseren: angst, voor potentiële criminelen die in ons midden zouden leven. Angst mag echter nooit de leidraad zijn om onze samenleving vorm te geven.

Een liberale staat gaat daarom uit van vertrouwen in plaats van angst; gaat uit van het goede in mensen in plaats van het criminele; biedt mensen vrijheid in plaats van hen te surveilleren. We mogen de fundamentele grondrechten van onze samenleving, ondanks de uitdagingen waar de post 9/11-samenleving ons voor plaatst, niet uit het oog verliezen. Laat niet de angst voor, maar het vertrouwen in onze medemens de leidraad zijn om onze liberale samenleving vorm te geven; een samenleving waarin alle burgers naast het recht op veiligheid ook hun recht op privacy behouden.

Waarom liberalen per definitie federalisten zijn

17 November 2013

“Voor liberalen blijft het individu de maat van alle dingen, niet Vlaanderen, België of Europa”, schrijven Patrick Dewael en Bart Somers in een vrije tribune in De Morgen van 15 november 2013.

 

Onuitvoerbaar, in strijd met de Europese structuren, ridicuul wat Brussel betreft en onmogelijk om partners te vinden aan Franstalige én Vlaamse kant. Dat zijn in een notendop de kritieken op de ontwerpcongresteksten van N-VA. Nog voor een stemkaart de lucht is ingegaan, lijkt N-VA zichzelf al buitenspel te hebben gezet bij de toekomstige regeringsvorming. Een regering die overigens een tweederdemeerderheid inclusief PS zou vereisen om die confederale plannen te realiseren, wat dan weer niet strookt met de sociaaleconomische ambities.

 

Maar het gaat om een ideaalbeeld, zoals elke partij er een heeft. Waarom droomt N-VA van confederalisme en kiest Open Vld voor federalisme? Een kwestie van ideologie, zo blijkt.

 

Het semantische kunst- en vliegwerk en de begripsverwarring buiten beschouwing gelaten, is het verschil tussen federalisten en confederalisten te herleiden tot de antithese tussen liberalen en nationalisten. Voor de eersten primeert het individu als lid van een maatschappij op de staat. Volgens nationalisten maken mensen deel uit van groepen. Zij wensen vanuit een gemeenschappelijk verband de samenleving vorm te geven. Bottom-up versus top-down, vrij versus gestuurd.

 

Het confederalisme van N-VA is dus niet zomaar een programma voor de zevende staatshervorming of wat gemorrel aan artikel 35 van de grondwet. Het is de uitdrukking van een fundamenteel geloof dat enkel Vlaanderen het referentiekader kan zijn voor een toekomstige staatsstructuur. Hun hele politieke doen en laten wordt gestuurd door dat doel, ongeacht de belangen van de burger. Voor liberalen blijft het individu de maat van alle dingen, niet Vlaanderen, België of Europa. Een staat is een middel, geen doel op zich.

 

Echte democratie

N-VA stelt een vrij zuiver confederalisme voor, waarbij Vlaanderen en Wallonië zowat de hele soevereiniteit verwerven en er slechts een rest-België overblijft. De federale democratische besluitvorming verdwijnt. In de plaats komt een permanente diplomatieke conferentie. Daar zit een logica in. In een confederaal België kan Vlaanderen prioritair zijn eigen belang verdedigen. Als een van de twee niet akkoord gaat met een beslissing, mag men de zaak eenvoudigweg naar zich toe trekken. Wat niet op Vlaams niveau kan worden beslist, is voor N-VA per definitie verdacht.

 

Dat past volledig in het negatieve wij-zijdenken van nationalisten. Die visie is nergens zo aanwezig als in het Brusselstandpunt van N-VA. Hoewel deze stad een toonbeeld van meertalig kosmopolitisme is, wil de partij haar een binair model opleggen. Brussel als een stad van Vlamingen en niet-Vlamingen.

 

Liberalen kiezen resoluut voor federalisme. Die staatsvorm maakt het mogelijk democratische beslissingen te nemen op alle overheidsniveaus. Geen diplomatieke conferentie tussen Vlamingen en Walen dus, en ook niet langer blokkerende veto’s en belangen in Europese ministerraden. Wel echte democratie.

 

Dat impliceert dat in de verdere ontwikkeling van het Belgische federalisme – confederale – beschermingsmechanismen worden afgebouwd. Die waren nodig zolang cultuur- of taalgevoelige kwesties op Belgisch niveau werden geregeld, maar mogen niet spelen bij het oplossen van economische vraagstukken. Een meerderheid mag geen misbruik maken van haar positie, maar een minderheid heeft evenmin dat recht. Federalisme is dus geen cadeautje voor de andere kant van de taalgrens.

 

Om de democratie tot haar recht te laten komen, moeten meerderheden in het parlement gebaseerd zijn op ideologische congruenties over de taalgrens heen, niet op communautaire verschillen. Laten we ook de klassieke reducties en antagonistische fabels verwerpen. Er zijn ongetwijfeld talloze Franstaligen die verregaande sociaaleconomische hervormingen willen doorvoeren om onze economie te versterken. En er zijn vele Vlamingen die het nut inzien om sociale risico’s op een hoger niveau te organiseren in plaats van driest de sociale zekerheid te splitsen. Tikt de pensioenbom bijvoorbeeld niet op Vlaamse bodem?

 

Liberalen zijn overigens heus niet getrouwd met België, noch met Vlaanderen of Europa. Waar nationalisten één identiteit vooropstellen en op dat niveau de enige democratie organiseren, gaan liberalen uit van een gelaagde identiteit met op iedere laag politieke en democratische structuren. Conform het subsidiariteitsprincipe zijn we ervan overtuigd dat vele zaken het best op Vlaams niveau worden geregeld, maar we erkennen evenzeer de meerwaarde van de federale en Europese niveaus, die andere belangen van burgers beter kunnen dienen.

 

Wat Europa betreft, pleiten we niet voor een Europese superstaat die de particuliere lidstaten zou vermorzelen en zich met elk beleid zou bemoeien. Wel voor een radicale democratisering van de Europese instellingen, die vervolgens handelen in het gedeelde Europees belang, en niet dat van de 28 lidstaten.

 

Verleden

En de N-VA? Zij wenst in Europa enkel de Vlaamse belangen te verdedigen door te pleiten voor een intergouvernementeel Europa met veto’s. Consequent, dat wel. Maar ze ontkennen het nut van een gemeenschappelijke Europese politiek. Zoals confederalisme een eufemisme is voor separatisme, moet het ‘euro-realisme’ hun euroscepticisme verbloemen. Dit is een vlucht naar het verleden, naar een ver vervlogen soevereiniteit. De toekomst van de lidstaten ligt in deze geglobaliseerde en uiterst concurrentiële wereld ontegensprekelijk in Europa. Daarom willen wij dat niveau uitbouwen tot een democratisch samenwerkingsinstrument.

 

De politieke plannen van de nationalisten zijn eerbaar, doch niet de onze. Wij liberalen kiezen voor het federalisme dat spoort met het liberale gedachtegoed dat het individu en de democratie centraal stelt, niet voor een isolerend wij-zijdenken rond de eigen gemeenschap.

Comité wetsevaluatie uit de startblokken

8 April 2013

Voorzitter van het parlementair comité wetsevaluatie Patrick Dewael (Open Vld) maakt jacht op verouderde en slechte wetgeving en roept burgers, bedrijven, organisaties en administraties op dergelijke wetten te melden op een nieuwe website.

Onze koning is volgens de wet nog steeds gemachtigd om troepen in Belgisch-Congo te mobiliseren, griffiers in de reeds opgeheven Vlaamse kamers van het Luikse Hof van Beroep moeten hun kennis van het Nederlands kunnen bewijzen, de familie Oranje-Nassau is ten eeuwigen dage uitgesloten van elke macht in België, en er mag geen beslag gelegd worden op een koe, twaalf schapen of een varken en vierentwintig dieren van de hoenderhof en het stro, voeder en graan nodig voor de verzorging van dat vee gedurende een maand. Dit zijn slechts enkele voorbeelden uit een indrukwekkende lijst van wetsbepalingen die voorbijgestreefd zijn. Daarnaast bestaan er vele exemplaren die moeilijk leesbaar, tegenstrijdig, dubbelzinnig te interpreteren of van bedenkelijke kwaliteit zijn. Dat komt omdat, volgens sommigen, wetten als worsten zijn, je weet beter niet hoe ze gemaakt worden. Daarom moet ons wettencorpus eens grondig opgekuist worden. Ik dien binnenkort alvast een pak wetsvoorstellen in om dergelijke anomalieën, waaronder deze hierboven, uit ons wetboek te schrappen.

Het bicamerale comité belast met de wetsevaluatie, opgericht in 2007, moest orde op zaken stellen zodat overheid, justitie en de burger opnieuw het bos door de bomen zouden kunnen zien. We worden immers nog steeds geacht de wet te kennen, ook al telt het staatsblad inmiddels maar liefst 90.000 pagina’s. Veel succes. Het comité ging bijzonder moeizaam van start maar kwam onder mijn voorzittersimpuls eind 2011 eindelijk op dreef. We hanteren momenteel volgende procedure: het College van procureurs-generaal bezorgt ons jaarlijks een lijvig rapport met de bemerkingen en aanbevelingen die het heeft bij slechte of overbodige wetten. Ook de arresten van het Grondwettelijk Hof komen op ons bord terecht. Samen vormen ze een inventaris van de disfuncties in de toepassing van de wet die door de rechterlijke macht worden vastgesteld. In het comité toetsen we vervolgens deze voor herziening vatbare wetten op hun doeltreffendheid, evenredigheid, transparantie, samenhang en effectiviteit om ze dan naar de bevoegde parlementaire commissies door te sturen. Maar eens uit onze handen, sterven onze aanbevelingen in commissie nog al te vaak een stille dood. Na de agendering komt de bevoegde minister doorgaans vertellen dat hij of zij aan een wetsontwerp werkt, en een half jaar later herhalen ze dat nog eens. En uiteindelijk gebeurt er niets.

Er is ook zelden een parlementslid dat dan zelf maar met een wetsvoorstel op de proppen komt om de wet in kwestie te wijzigen of zelfs te schrappen. De droom van zowat elk parlementslid is immers om een wet door de assemblee te krijgen die naar hem of haar vernoemd is. En opgejaagd door het rapport van de journalisten op het eind van de legislatuur dienen ze onnoemelijk veel vragen en wetsvoorstellen in. Rimpels op het water. Zou een parlementair die zich zou toeleggen op het systematisch afschaffen van kafkaiaanse of verouderde wetgeving en het verbeteren van andere wetteksten, geen grotere dienst bewijzen aan de burger dan zijn of haar collega’s die almaar blijven bijdragen aan de huidige wettendiarree? Voor mijn part mogen de journalisten minstens evenveel punten toekennen aan zij die wetten verbeteren of afschaffen.

Maar niet alleen de commissies en parlementsleden moeten een tandje bijsteken, ook het comité wetsevaluatie zelf kan meer en beter. We moeten meer ambitie en initiatief tonen en verder gaan dan onze dispatching-rol tussen rechterlijke macht en commissies. Daarom werken we nu bijvoorbeeld aan één grote technische correctiewet, waarmee we in talrijke wetten technische wijzigingen aanbrengen om die wetgeving taalkundig en juridisch scherp te stellen. De wet voorziet immers de mogelijkheid voor het comité om zélf proactief lamentabele wetten te selecteren en de nodige wetsvoorstellen in te dienen. Op die manier hoeven we niet langer te wachten op ministers en parlementsleden om onze aanbevelingen om te zetten. Ikzelf geef als voorzitter alvast een eerste aanzet en dien nu een tiental kant en klare wetsvoorstellen in.

Naast de aanbevelingen van de rechterlijke macht en het eigen parlementair initiatief, moeten we tot slot nog een derde pijler aan de wetsevaluatie toevoegen. De gewone burger, ondernemer, organisatie of administratie die dagdagelijks in aanraking komt met onze wetten en jammer genoeg ook vaak het‘slachtoffer’ van slechte exemplaren is, kan immers waardevolle feedback geven over problematische wetsbepalingen. Daarom lanceert het comité eind april een website waarop iedereen overbodige of slechte wetten kan signaleren.

Dat het staatsblad stilaan ontploft en we allemaal geconfronteerd worden met een overvloed aan regelgeving is geen nieuws. Het vertrouwen in overheid en justitie wordt net zoals de rechtszekerheid ondermijnd door dit gegeven. Het comité wetsevaluatie komt dus geen dag te vroeg en het is positief dat naast de magistratuur ook de burgers als informatiebron betrokken worden. Nu nog parlementairen die zelf wat voor eigen deur gaan keren. In het paleis der natie moet er naast de dubieuze reflex om alles te reguleren, ook een reflex ontstaan om wetten kwalitatief te verbeteren en af te schaffen. Ons juridisch corpus heeft immers nood aan een groot onderhoud. Iedereen heeft daar bij te winnen: zowel de burger en ondernemer die weet waar hij aan toe is en wiens rechtszekerheid gegarandeerd wordt, als justitie, de overheden en administraties die efficiënter kunnen werken en kwalitatieve diensten kunnen verlenen. Daar worden ze immers door ons dik voor betaald.

PatrickDewael, voorzitter Comité belast met de wetsevaluatie en Kamerfractieleider Open Vld

Bezoek aan Kazerne Dossin als burgerplicht

26 November 2012

Het nieuwe museum over de Holocaust en de Mensenrechten wordt vandaag geopend door ons vorstenpaar en staat vanaf zaterdag open voor het grote publiek. Ik ben verheugd dat dit project, dat ik als minister-president lanceerde in 2001, eindelijk gerealiseerd is. Ondanks het feit dat het een lange tijd geduurd heeft om dit museum in Mechelen tot stand te brengen, ben ik bijzonder tevreden met het resultaat. Namelijk, een mooi en indrukkend gebouw en een collectie die elke bezoeker tot in zijn ziel zal treffen. Want waar gaat het over? 67 jaar geleden kwam er een einde aan de Tweede Wereldoorlog die onder meer het leven kostte aan 6 miljoen Joden. In het museum wordt duidelijk gemaakt hoe de Joden die in België verbleven, werden bijeengedreven om gedeporteerd te worden naar de vernietigingskampen, vooral naar Auschwitz-Birkenau. Van de 55.670 Joden die op last van de Duitse bezetters werden geregistreerd, werden er 24.906 gevat en in 28 opeenvolgende transporten vanuit de Dossinkazerne gedeporteerd. Slechts 1.194 Joden overleefden het. Daarnaast was er ook een zigeunerkonvooi met 351 gedeporteerden waarvan er slechts 13 overleefden. Hoe het zover is kunnen komen, staat beschreven in talloze getuigenissen, maar ook vandaag nog zijn niet alle vragen beantwoord. Het museum maakt duidelijk dat het latente antisemitisme tijdens de jaren tussen de twee wereldoorlogen door het discours van Hitler steeds ergere vormen aannam. De Duitse schrijver Sebastian Haffner beschreef het ontmantelingsproces van de democratie door een oprukkend extreemnationalisme: de verstikking van de fysieke en geestelijke vrijheid in een steeds meer vijandige sfeer en de verdoving hiervan op miljoenen Duitsers. Hij legt uit hoe dit leidde tot een tweedeling in de maatschappij, een steeds groter wordende groep van malcontenten die zich liet opzwepen door het gebrul tegen het systeem, tegen andersdenkenden, tegen de Joden. Anderzijds een kleinere groep mensen die beseften dat er iets ergs op til was. Op 5 maart 1933 haalden de nazi’s 44 procent van de stemmen, 56 procent stemde nog tegen, maar het was te laat. Tegenstanders werden uit de weg geruimd en vermoord in de kelders van de SA. Haffner beschrijft de radicalisering tegenover de Joden, eerst in toespraken en teksten, daarna fysiek. Op 31 maart 1933 werden de ‘Joodse’ rechters, advocaten en referendarissen het gebouw uitgesleurd. Zo verviel de rechtstaat tot puin. Nadien verzamelden studenten, bibliothecarissen, professoren, de SA en de Hitlerjugend op de Oberplatz voor de Berliner Staatsoper. Ze brachten meer dan 12.000 titels van 150 ongewenste auteurs bijeen voor een boekverbranding. Kranten verdwenen of pasten zich aan. Alle kritiek werd gesmoord. Een bezoek aan het nieuwe museum is dus meer dan aanbevolen. We kunnen er leren wat er kan gebeuren als partijen met nationalistische en racistische ideeën aan de macht komen. Dat leidt onvermijdelijk tot tweedeling, tussen ‘goede’ en ‘slechte’ mensen. Maar die mensen kunnen er niet aan doen waar ze geboren worden. Regine Beer, een van de laatste getuigen van Auschwitz, schreef het als volgt: “Iedere mens wordt in vrijheid geboren, iedere mens moet kunnen opgroeien en zich ontplooien in een vrije wereld. Ik kan het niet genoeg zeggen, benadrukken: vrijheid is voor mij nog steeds het belangrijkste woord uit de woordenschat.” De boodschap van Beer is dat we dit niet opnieuw mogen laten gebeuren. En het museum in Mechelen draagt daar toe bij. We hebben de plicht om over de Holocaust te praten tegenover onze kinderen. We moeten de getuigenis en de herinnering van de slachtoffers van het extreemnationalisme in stand houden. Vandaar het belang van dit museum. Als voormalig minister-president van de Vlaamse Gemeenschap ben ik verheugd dat dit museum gerealiseerd werd. Ik zal het bezoeken met mijn kinderen en later met mijn kleinkinderen. Opdat ze zouden leren waartoe fascisme en extremisme kunnen leiden. Zodat ze voor altijd zullen zeggen: ‘Dit, nooit meer’.

 

Verschenen in De Morgen

Niet wachten op Steven Vanackere voor fiscale hervorming

22 September 2012

Twee keer goud, een tiende en een twaalfde plaats. Helaas, het gaat niet om het WK wielrennen, maar om het EK belastingdruk. En dan wil minister Vanackere wachten tot na de crisis om het belastingsysteem te hervormen, stellen GWENDOLYN RUTTEN en PATRICK DEWAEL vast.

Nu de destructieve gevolgen van het hebzuchtkapitalisme wereldwijd zichtbaar zijn, klinkt de roep om meer rechtvaardigheid steeds luider. Het gemak waarmee heel wat superrijken zich onttrekken aan solidariteit stuit ook ons tegen de borst. Maar om daarom volop te pleiten voor een vermogensbelasting?

De lasten voor wie werkt en vooruit wil, wegen zwaar. Onredelijk zwaar. Fiscaliteit rechtvaardiger maken is dus legitiem. Maar we moeten de zaken niet erger maken dan ze al zijn. Wie pleit voor meer belastingen, moet ons fiscaal systeem in zijn geheel bekijken. Anders vergeten we dat het altijd dezelfde schouders zijn op wie die lasten terecht komen. We moeten hervormen, maar dat moet grondig gebeuren.

Grondig betekent: behalve emotie ook ratio. Grondig betekent: niet pleiten voor een vermogensbelasting, als we in België al vier soorten vermogensbelastingen hebben. We hebben heffingen op onroerende en financiële activa, successierechten en de vermogenswinstbelasting. De eerste heffing, die op de aankoop van een huis, is de duurste in de EU. Ook voor de successie- en schenkingsrechten prijken we op de eerste plaats. Met de roerende voorheffing op dividenden (tiende plaats) en interesten op overheidsobligaties (twaalfde plaats) zitten we in de Europese middenmoot. Het zijn plaatsen waar Michel Wuyts om zou juichen, maar fiscaliteit is geen WK wielrennen.

Wie dus zomaar een vermogensbelasting bepleit omdat die overal bestaat ‘behalve in België’, gaat voorbij aan de realiteit. Denk bijvoorbeeld aan mensen die aandelen hebben in een pensioenfonds. Het gaat niet op om in de grabbelton van fiscale inkomsten te grijpen, zonder het volledige plaatje te zien. Het gaat niet op om aancherry picking te doen door alleen uit internationale rankings te halen wat in het eigen kraam past.

Het echte pijnpunt zit in de belastingdruk op inkomen uit arbeid. Die is te hoog, en te complex. Dat werkt misbruiken in de hand en uiteindelijk is het daardoor de middenklasse die telkens weer de factuur betaalt.

De feiten zijn ontnuchterend. Terug naar het EK belastingdruk: wat de totale fiscale en parafiscale druk betreft, staat ons land derde in Europa na Zweden en Denemarken. Toch één goed cijfer: inzake milieufiscaliteit bengelen we onderaan. Moeten we daar dan blij om zijn?

We hebben dus vooral een eenvoudig systeem nodig, dat de lasten op arbeid verlaagt en verschuift naar een meer duurzame en groene fiscaliteit. Het regeerakkoord zegt niks over een dergelijke grote fiscale hervorming en minister Steven Vanackere (CD&V) schuift het werk vooralsnog voor zich uit. Hij wil het debat pas ‘na de crisis’ voeren. Ondertussen duiken er wel te pas en te onpas nieuwe ad-hocvoorstellen op.

Werk voor het parlement

Wij zijn het daar niet mee eens. Als we allemaal vinden dat onze fiscaliteit rechtvaardiger en eenvoudiger moet, dan is het onzin om die oefening voor onbepaalde tijd uit te stellen of slechts fragmentair te voeren. Er is op dat vlak een taak weggelegd voor het parlement. Terwijl de regering de eerste fase van tal van overheids- en maatschappelijke hervormingen uitvoert, moet het parlement de hervormingen aan inkomstenkant voorbereiden. We kunnen hoorzittingen houden, experts aan het woord laten en de werkelijke impact van elk voorstel becijferen.

Elke grote hervorming heeft voorbereiding en een draagvlak nodig. Het is tijd om het debat naar het parlement brengen.

 

Verschenen in de Standaard

 

N-VA, het nieuwe platform voor extreem rechts

16 July 2012

De N-VA gaat geen Vlaams Belangers meer toelaten op hun lijsten. Maar intussen is het kwaad geschied. Bart De Wever ging er lange tijd prat op dat hij het Vlaams-nationalisme opnieuw een democratisch gelaat heeft gegeven. In zijn interview met Zeno (DM, 7 juni 2012) sloeg hij zich voor dat laatste flink op de borst: “Niemand heeft daar ooit iets meer voor gedaan dan ik. Het cordon sanitaire heeft niet gewerkt tegen extreem rechts. De N-VA wel. (…) Iedereen mag mij komen bedanken dat Vlaanderen niet langer het stigma van extreem rechtse regio moet dragen.” We betwisten niet dat N-VA in 2010 heel wat kiezers heeft afgepakt van het Vlaams Belang – en dat juichen we toe – maar de neergang van de racistische partij was toen wel al enkele jaren bezig. Het cordon sanitaire heeft gewerkt. Dat zagen we bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen toen het Vlaams Belang niet alleen een electorale, maar ook een mentale opdoffer kreeg, vooral in de grote steden Antwerpen en Gent. Maar bedenkelijker was de strategie van N-VA om steeds meer gewezen mandatarissen van het Vlaams Belang met open armen te ontvangen en er zelfs actief naar te hengelen. We hebben het dan niet alleen over enkele grote vissen zoals Karim Van Overmeire en Jurgen Ceder, maar ook over de tientallen gemeentelijke en provinciale Vlaams Belangers die nu kandidaat zullen zijn op de lijsten van N-VA. Allemaal individuen die tientallen jaren het xenofobe, anti-islamitische en homofobe programma hebben gesteund en de slogan ‘Eigen Volk Eerst’ uitschreeuwden tot ze er hees van werden. Volgens De Wever komen zulke mensen er bij de N-VA maar in na een grondige screening van zijn of haar antecedenten, maar dat lijkt bij Van Overmeire en Ceder nogal soepel verlopen te zijn. Beiden waren actief lid van de Nationalistische Studentenvereniging. Beiden hielden mee de pen vast van het racistische 70-puntenplan dat ze hartstochtelijk hebben verdedigd – en vooralsnog niet hebben afgezworen. Beiden deden homofobe uitspraken. “Homodiscriminatie is een schijnprobleem dat misschien wel in kringen van zogenaamde intellectuelen, kunstenaars en artiesten leeft, maar niet in de brede lagen van de samenleving”, aldus Van Overmeire. Dat de N-VA niet zelf actief zou rekruteren uit Vlaams Belangmiddens klopt al evenmin. Bruno Stevenheydens uit Beveren was 25 jaar lid van het Vlaams Belang. In 2007 werd hij verkozen tot volksvertegenwoordiger voor die partij in Oost-Vlaanderen. Drie jaar later stapte hij over naar de N-VA, en dat op vraag van Bart De Wever zelf. “Eind mei (2011) kreeg ik een telefoontje vanuit de top van de N-VA, zonder zelf gesolliciteerd te hebben. Bart De Wever die me vroeg of ik geïnteresseerd was om fractiesecretaris te worden in het Vlaams parlement. Onmiddellijk volgde een gesprek op het Vlaams parlement en ondertussen ben ik al 7 maanden aan de slag.” Deze uitspraak van Stevenheydens staat op zijn eigen weblog. Nu kan men zeggen dat de leegloop uit het Vlaams Belang een goede zaak is, maar er zit ook een ranzige kant aan. Want mandatarissen van de extreem rechtse partij die nu kiezen voor N-VA brengen niet alleen zichzelf, maar ook hun sympathisanten en vooral hun gedachtegoed mee. Wie denkt dat deze extreem rechtse overlopers plots hun xenofobe en racistische ideeën hebben afgezworen, is blind of naïef. Misschien (en hopelijk) zijn er een aantal onder hen echt tot het besef gekomen dat er iets mis was met de ideologie van het VB. Maar hun engagement binnen hun nieuwe partij zal hun hang naar separatisme, hun ‘eigen volk eerst’-gedachte, hun haat tegenover vreemdelingen, hun afkeer voor homoseksualiteit en hun extreme taalgebruik dat ze jaren hebben gedemonstreerd binnen het Vlaams Belang, niet afzwakken. De meeste extreem rechtse overlopers zijn geen maagden, maar hardnekkige militanten van ranzige ideeën die ze hopen waar te maken binnen een partij die nu de wind in de zeilen heeft. Natuurlijk zijn er ook overlopers vanuit de liberale, socialistische en christendemocratische bewegingen. In vele gevallen opportunisten, soms ook idealisten. Zij zullen ook veel kiezers meebrengen naar hun nieuwe partij. Juist daarom willen we die kiezers waarschuwen met wie ze samen gaan optrekken bij de komende verkiezingen. Meer nog, we hebben de plicht om die toekomstige kiezers duidelijk te maken dat ze met hun stem een nieuw platformbieden aan extreem rechts, dat tal van zaken wil realiseren, maar in elk geval geen liberale, socialistische of christendemocratische. Dat extreem rechts nu binnen N-VA een nieuw platform krijgt, daarvoor gaan wij als kleinkinderen van Arthur Vanderpoorten die omwille van zijn politieke ideeën werd opgesloten en stierf in Bergen Belsen, De Wever niet bedanken.

 

Verschenen in de Morgen

Het zwaktebod van een wettelijk verbod

27 June 2012

De liberale democratische rechtsstaat werd tijdens de Verlichting gebouwd op enkele fundamentele rechten en vrijheden, zoals het recht op vrije meningsuiting en het recht op vereniging. Als liberalen staan wij derhalve bijzonder wantrouwig tegen elke inperking op deze principes waarvoor onze voorouders zo hard gevochten hebben. Daarbij blijven we ook Voltaire indachtig, die stelde: “Ik veracht u en uw mening, maar ik zal mijn leven geven om uw recht op die verachtelijke mening uit te mogen dragen.” Dat betekent evenwel niet dat fanatici zoals Fouad Belkacem, die gisteren nog veroordeeld werd voor het aanzetten tot geweld, hun gang mogen gaan en van de vrijheid van meningsuiting en van vereniging misbruik mogen maken om onwettelijke handelingen en uitspraken te doen. We staan voor een dilemma. We willen onze open samenleving met alle kracht verdedigen en verfoeilijke figuren en verenigingen zoals Sharia4Belgium, maar evenzeer Blood & Honour, met alle kracht bestrijden. Tegelijk mogen we ons echter niet laten verleiden en in de val trappen door hard te snijden in onze fundamentele grondrechten. De uitdagers mogen ons nooit kunnen verwijten dat we hetzelfde doen als zij. Want dat is net wat ze willen. Dat moeten we tot elke prijs verhinderen. Optreden tegen het recht op vrije meningsuiting kan voor ons pas vanaf het moment dat die mening duidelijk in strijd is met ons wettelijke kader en er dus sprake is van een misdrijf. Op dat moment gaat het niet meer om een vrije mening maar om een criminele daad. Waar de vrije meningsuiting ophoudt en het misdrijf begint, kan niet anders dan door een onafhankelijke rechterlijke macht beoordeeld worden. Het is niet de taak van een toevallige meerderheid om dat te bepalen en ad hoc een wet goed te keuren die een bepaalde organisatie verbiedt. In het heetst van de strijd en de emotie mogen we niet de tak afzagen waar we zelf op zitten. Dat is een brug te ver. We moeten absoluut optreden tegen de uitdagers van onze rechtsstaat, maar dan voor de rechtbank. Het wettelijke instrumentarium is trouwens voorhanden. Denk aan de wettelijke bepalingen inzake racisme en xenofobie, negationisme, discriminatie en aanzetten tot geweld. We moeten diegenen die deze bepalingen overtreden aanklagen en, indien de feiten bewezen zijn, veroordelen. Het wettelijk verbieden van een organisatie is een zwaktebod. Verenigingen met rechtspersoonlijkheid kunnen we vandaag al aanpakken met de bestaande middelen. Daarvoor hebben we een verbod niet nodig. Tegen feitelijke verenigingen is een verbod dan weer niet toereikend. Die herrijzen gewoon onder een andere naam. We moeten ons dus richten op degenen die onwettelijke handelingen stellen en ze bestraffen. Dat alleen zet zoden aan de dijk. Misschien is het zwakste punt dat we vandaag de bestaande wetgeving onvoldoende toepassen. We beschikken over een heel sterk arsenaal aan regels, mensen en middelen om op de naleving van de bestaande wetgeving toe te zien. In die zin is het optreden van onze minister van Justitie, Annemie Turtelboom, toe te juichen. Zij heeft binnen het kader van haar bevoegdheden correct opgetreden tegen Belkacem. Onze politie en justitie zouden dergelijke fanatici ook intensiever en strenger moeten opvolgen.

Voer de straffen uit

Ten slotte is er de vraag of de strafuitvoering adequaat genoeg is? Het antwoord is negatief. Daar ligt uiteindelijk de kern van ons probleem: de niet-uitvoering van straffen. Het niet uitvoeren van straffen is de beste manier om oproepen tot geweld en criminaliteit aan te zwengelen. De samenhang van de strafrechtsketen moet daarom worden versterkt. Vanaf het plegen van het delict tot aan de uitvoering van de straf. Eenmaal opgelegd, moeten straffen ook effectief en coherent worden uitgevoerd. Want straffen zijn pas efficiënt en werken maar ontradend als ze de overtreders echt treffen. Laat Belkacem, leden van Blood & Honour en andere fanatici maar hun straf uitzitten. Naast de bestaande straffen moet ook aan andere, aangepaste sanctionering worden gedacht. Voor fiscale fraudeurs zijn we het eens om de financiële straffen op te drijven. Want daar tref je hen het hardst. Voor dit soort van misdrijven moeten we ook creatief zijn. We kunnen een aangepast sanctieapparaat uitwerken dat deze misdadigers gericht treft. Wij denken daarbij aan een verbod op deelname aan betogingen, een verbod op lidmaatschap van verenigingen, een publicatieverbod … Hebben zulke straffen niet het meest effect op predikers van haat en geweld? Bij hooligans komen stadionverboden ook het hardst aan. Met deze aanpak kunnen we het respect voor onze fundamentele rechten en vrijheden, en de democratie in het algemeen, vrijwaren zonder daaraan te morrelen. Laten we de fanatici tonen dat onze principes torenhoog boven hun verachtelijke moraal staan. Laten we onze rechtsstaat verdedigen zonder hem uit te hollen. Die overwinning mogen we hen immers niet gunnen.

Verschenen in de Morgen

De riem moet nog strakker

24 March 2012

Een efficiëntere en lenigere Vlaamse en federale overheid, met minder ambtenaren die minder opdrachten moeten uitvoeren. Alleen zo zullen we het aandeel van de staat in onze economie weer onder de 50 procent krijgen, zegt de OPEN VLD.

Ambtenaren zijn nodig en nuttig. Laat daar geen twijfel over bestaan. Bepaalde taken in de samenleving zijn van zo’n groot en algemeen belang, dat alleen de overheid en meer in het bijzonder gemotiveerde, bekwame en efficiënte overheidsdienaren ze moeten regisseren – en soms ook zelf uitvoeren. Maar dat is nog geen reden om een staatseconomie uit te bouwen. Als je de overheid te veel taken toekent, stijgt de financieringsbehoefte en dus de belastingdruk zodanig, dat het de ondernemende krachten van de samenleving ondermijnt. Keuzes rond kerntaken moeten dus worden gemaakt.

Eén op de drie is ambtenaar

Vlaanderen en België maken die keuzes nog altijd onvoldoende. Het overheidsbeslag, zo waarschuwde de Nationale Bank onlangs, bedraagt in België ongeveer de helft van het bruto binnenlands product, dat is 4 procent meer dan het gemiddelde in de eurozone. In vergelijking met andere Europese landen zijn de overheden in België bovendien weinig efficiënt, slechte betalers, besteden ze weinig uit en richten ze veel van hun middelen op het uitbetalen van de lonen van hun personeel. Bijna één op de drie werkende landgenoten werkt bij de overheid of oefent een job uit die de overheid subsidieert. Dat zijn samen 1,3 miljoen mensen. Vooral de jongste tien jaar steeg het aantal ambtenaren snel, er kwamen er meer dan 200.000 bij. Toegegeven, soms ook met medewerking van de Open VLD.

Tenminste, tot de bankencrisis in 2008 en de daaropvolgende financieel-economische crisis en eurocrisis. Sindsdien beseffen we als liberalen dat goedbedoelde maatregelen in tijden van welstand zuur kunnen opbreken in tijden van kommer en kwel, wanneer men niet de veerkracht heeft om structuurhervormingen door te voeren.

Op federaal vlak liggen er de komende jaren grote opportuniteiten om het overheidsbeslag en het aantal ambtenaren terug te dringen, dankzij de vergrijzing. Van de federale ambtenaren gaat 30 procent de komende tien jaar met pensioen, bijna de helft daarvan zelfs de komende vijf jaar. Het komt erop neer om van de ambtenaren die met pensioen gaan, een maximaal aantal niet te vervangen en de arbeidsmobiliteit in het overheidsapparaat gevoelig te versterken.

In het Vlaamse overheidsapparaat liggen de kaarten enigszins anders. Bij haar begrotingscontrole besliste de Vlaamse regering om het aantal ambtenaren tegen 2014 met 6 procent te verminderen in plaats van slechts met 5 procent. Dat is voor de Open VLD lovenswaardig maar te weinig om het Vlaamse overheidsbeslag weer structureel gezond te krijgen. In Vlaanderen wil de Open VLD het aantal ambtenaren met tien procent verminderen tussen nu en eind 2014.

Vlaanderen telt zo’n 41.000 ambtenaren, waarvan er 13.000 tewerkgesteld zijn in afzonderlijke zelfstandige structuren zoals De Lijn of de VRT. Personeelssaneringen zijn daar enkel onrechtstreeks te bereiken door een vermindering van de Vlaamse dotaties. Ongeveer 28.000 Vlaamse ambtenaren vallen rechtstreeks onder het gezag van de Vlaamse regering. Van dit korps vloeien jaarlijks 1.800 ambtenaren op een natuurlijke wijze af. Als je één op de twee niet vervangt, verminder je elk jaar het aantal ambtenaren met 900. In 2014 is dat goed voor een vermindering met 10procent. Zonder één enkel ontslag.

Drie voorstellen

Open VLD erkent wel dat sommige diensten dit niet verdragen, terwijl andere nog meer inspanningen aankunnen. Dit moet zowel in Vlaanderen als op het federale niveau op maat gesneden worden door de ambtenaren-generaal, die hun mandaat – dat hen ten andere verleend werd op basis van managementkwaliteiten – aldus kunnen bewijzen. Maar zij kunnen dat pas ernstig doen als eerst en vooral de politiek de kerntaken vastlegt. Een oefening in verschillende dimensies dus.

Ons voorstel komt, kort gesteld, hierop neer:

1. Voer door efficiëntiemaatregelen dezelfde opdrachten uit met minder ambtenaren.

2. Ga door een kerntakendebat naar minder opdrachten met minder ambtenaren.

3. Verhoog door een interne arbeidsmarkt binnen het overheidsapparaat (en over de overheidsniveaus heen) de ambtenarenmobiliteit.

Open VLD hoopt met dit voorstel haar bijdrage te leveren tot een breed draagvlak voor een ambitieuzere, efficiëntere, lenigere Vlaamse en federale overheid met gemotiveerde overheidsmanagers en medewerkers, die met minder mensen minder opdrachten dienen uit te voeren, met de bedoeling het aandeel van de staat in onze economie weer flink onder die 50 procent te krijgen. Door nu beslissingen te nemen die de komende jaren worden uitgerold, moeten we erin slagen het overheidsbeslag tegen 2020 weer op het peil van het Europese gemiddelde te krijgen.

 

Verschenen in de Standaard

Wat België kan leren van Mandela

17 May 2011

Als kleinkind van gewezen minister Arthur Vanderpoorten die wegens zijn politieke ideeën werd opgesloten in het concentratiekamp van Bergen Belsen en die er tien dagen voor de bevrijding stierf ben ik ervoor beducht dat het verleden met één pennentrek uitgewist zou worden

Wat België kan leren van Mandela

l Patrick Dewael (Open Vld) is gewezen minister-president van de Vlaamse regering en oud-minister van Binnenlandse Zaken.

l Justitieminister De Clerck vindt dat er gepraat moet kunnen worden over amnestie voor collaborateurs uit de Tweede Wereldoorlog. Patrick Dewael stoorde zich aan het woord ‘vergeten’.

Patrick Dewael over amnestie: wel vergeven, nooit vergeten

Minister van Justitie Stefaan De Clerck toont zich bereid om te praten over amnestie voor collaborateurs uit de Tweede Wereldoorlog (DM 16/05). Volgens hem is het nodig om hierover in het parlement tot een sereen debat te komen om op die manier een streep te trekken onder een problematiek die al meer dan zesenzestig jaar de gemoederen in ons land beroert. Nu zijn er heel wat argumenten te vinden om deze donkere bladzijde uit onze Belgische geschiedenis om te slaan. Zo zijn de meeste daders en slachtoffers van de collaboratie, terreur en repressie intussen overleden. En het kan natuurlijk niet dat de nakomelingen van de collaborateurs van destijds vandaag nog hinder zouden ondervinden van de feiten die ooit gebeurd zijn. Vergeving, verzoening en wederzijds begrip zijn dus op hun plaats.

Maar ik verzet mij met alle macht tegen de volgende uitspraak van de minister: “Misschien moeten we het (de collaboratie) ook vergeten, want het gaat om het verleden.” Stefaan De Clerck suggereert dat vergeten wat er ooit gebeurd is een ‘daad van volwassenheid’ zou zijn. Dit is een volkomen verkeerde visie. De collaboratie van tal van Vlamingen en Franstaligen met de Duitse nazi’s mag nooit vergeten worden. Integendeel. Het is en blijft de taak van de overheid om onze jongeren te blijven waarschuwen voor de gevolgen van totalitarisme, extremisme en radicaal nationalisme. In die zin moeten we blijven investeren in de herinneringseducatie in ons onderwijs rond deze fenomenen. Daarnaast moet blijvende aandacht gaan naar de verdere uitbouw en promotie van het museum Flanders Fields in Ieper, het Fort van Breendonk, het Joods Museum voor Deportatie en Verzet in Mechelen en het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (SOMA) in Brussel. In die zin is het bemoedigend dat in de zomer van 2012 de ‘Kazerne Dossin: Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten’ recht tegenover de bestaande Dossinkazerne in Mechelen wordt geopend.

Elk van deze instellingen en de herinneringseducatie in het onderwijs hebben tot doel de komende generaties uit te leggen waartoe discriminatie, uitsluiting, racisme en onderdrukking kunnen leiden. Die generaties moeten leren inzien dat mensen alleen vrij kunnen praten, geloven en bijeenkomen in een democratische rechtsstaat waar de rechten van elke burger worden beschermd. Ze moeten ook onderwezen worden over de kwalijke gevolgen van elk systeem waarin een volk, een ras, een partij, een Führer of een geloof belangrijker wordt geacht dan de mens. We moeten onze kinderen doordringen van de categorische imperatief van de grote verlichtingsfilosoof Immanuel Kant, die stelde dat elke mens een doel op zich is, en geen middel.

Anoniem begraven in Rusland

Als kleinkind van gewezen minister Arthur Vanderpoorten die wegens zijn politieke ideeën werd opgesloten in het concentratiekamp van Bergen Belsen en die er tien dagen voor de bevrijding stierf ben ik ervoor beducht dat het verleden met één pennentrek zou worden uitgewist. Ik wil en ik kan de kampen niet vergeten, noch het regime dat ze met zijn racistische ideologie heeft ingericht. Ik wil en kan de motieven van de medestanders van Hitler en zijn trawanten niet vergeten.

Maar doorheen de jaren leerde ik ook begrip op te brengen voor wie zich gegriefd voelde door de excessen tijdens de repressie. Ik heb mededogen voor de jongens van zestien en zeventien jaar die vol dadendrang, maar verblind door hun Leiders, in een tijdsgeest waarin het bon ton was om de democratie failliet te verklaren, naar het Oostfront vertrokken om er tegen het onmenselijke communisme te vechten. Velen van hen liggen anoniem begraven in Oekraïne of Rusland, na meer dan zesenzestig jaar nog uitgespuwd door hun vaderland.

De voorbije dagen hoor ik opnieuw stemmen om tot amnestie te komen. Aangezien amnestie inhoudt dat men ook vergeet, verzet ik mij ertegen, zoals ik dat ook al zei bij mijn tussenkomst in de Kamer in februari 1994. Ik steun wel elke oproep tot wederzijds begrip en een vorm van verzoening en dit om dezelfde reden als die van Nelson Mandela, die 26 jaar op het Robbeneiland doorbracht als politieke gevangene onder het apartheidssysteem: “We vergeten niet maar vergeven wel, omdat we samen ons land moeten opbouwen.” Het apartheidsregime was een misdadig regime, gebaseerd op racisme en geweld. Maar Zuid-Afrika slaagde erin te vergeven zonder te vergeten. Als Vlaming uit een land waar zesenzestig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog die verzoening nog niet tot stand is gekomen, heb ik ontzag voor zoveel wijsheid van Nelson Mandela. Laat ons zijn voorbeeld volgen.

 

Verschenen in de Morgen

Barre tijden? Investeer meer in cultuur

5 April 2011

De leefkwaliteit waartoe cultuur bijdraagt en de kritische zin die ze aanwakkert, zijn in crisistijden minstens even belangrijk, misschien zelfs belangrijker, dan in economisch florissante tijden

Barre tijden? Investeer meer in cultuur

l Patrick Dewael is oud-minister van cultuur (1985-1992).

l In plaats van de tering naar de nering te zetten zou cultuurminister Schauvliege (CD&V) extra investeringen in kunst en cultuur moeten verdedigen, vindt Patrick Dewael (Open Vld). De ophefmakende studie naar de financieringsstromen in de kunstsector levert daarvoor ‘schitterende munitie’.

Patrick Dewael legt uit waarom de besparingsdrift in de culturele sector geen goede zaak is

Het wordt hoog tijd dat politici zich meer en explicieter laten horen in het debat over cultuur- en kunstenbeleid. We hoeven immers maar even rond te kijken in sommige buurlanden én in Vlaanderen om vast te stellen dat dit beleid en de middelen ervoor onder druk staan. Het maatschappelijke, maar ook het sociale en economische belang van cultuur kan nochtans niet voldoende onderstreept worden. “La culture… ce qui a fait de l’homme autre chose qu’un accident de l’univers”, aldus André Malraux. Kunst aanleren op school, het bezoek aan culturele evenementen bevorderen, het ondersteunen van kunstenaars en hun projecten, zuurstof geven aan onze musea en gezelschappen, kortom, investeren in cultuur is voor onze samenleving broodnodig. En toch is dit blijkbaar het eerste departement dat klappen krijgt als het economisch minder goed gaat. In Nederland hakt het kabinet fors in op de uitgaven in de culturele sector. Meer dan 100.000 Nederlanders kwamen op straat om te protesteren tegen de verhoging van de btw voor voorstellingen en concerten en tegen de bezuinigingen van 200 miljoen euro op de cultuuruitgaven. Zo ook in Engeland, waar een burgerinitiatief op gang kwam onder de slogan ‘Save the arts. Don’t let them destroy another British industry’.

Ook in Vlaanderen heeft de besparingsdrift in de culturele sector toegeslagen. De Vlaamse regering schrapt zonder duidelijke visie en verantwoording miljoenen euro’s en brengt daarmee tal van onze culturele instellingen en evenementen in het gedrang. Het valt hierbij ook op hoe moeilijk minister Schauvliege het heeft met kritiek op haar beleid vanuit een sector die als van nature een luis in de pels van het bestaande gezag moet zijn. Kunstenaars zijn juist de beste waakhond voor het democratische gehalte van een samenleving. Maar nog belangrijker is het feit dat het subsidiëren van kunst een prima investering is die zichzelf terugbetaalt. Uit een recente studie naar de financieringsstromen naar de kunstsector blijkt dat elke euro voor kunst anderhalve euro extra opbrengt. “De resultaten tonen duidelijk aan dat de ondersteuning (van kunst) geen infuus is, maar een hefboom met een grote economische impact”, zeggen de onderzoekers Joris Janssens en Dries Mareels (DM 4/4).

In plaats van voortdurend te wijzen op de noodzaak van besparingen in de culturele sector, wat interne verschuivingen aan te kondigen zoals ze gisteren deed in haar toespraak ‘Zuurstof en meerstemmigheid voor de kunsten’, en het aantal kunstenorganisaties dat gesubsidieerd zal worden te verminderen, zou minister Schauvliege beter de resultaten van deze studie op de begrotingstafel leggen. Voorwaar schitterende munitie om als eerste politiek verantwoordelijke het belang van investeringen in kunst en cultuur te verdedigen.

Niet alleen de overheid

Een kwalitatief en duurzaam cultuurbeleid uitbouwen betekent uiteraard niet dat bijna elk cultuurinitiatief door de overheid moet worden ondersteund of gesubsidieerd. Elke euro die de overheid aan cultuur spendeert moet goed overwogen worden. De overheid moet zich in de eerste plaats focussen op het creëren van goede randvoorwaarden. Wat dat betreft moeten we onderzoeken of er niet een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen verschillende subsidiëringsdoelen. Zo kunnen kunstenaars meer beoordeeld worden op kwaliteit, terwijl de zalen en podia op hun diversiteit en spreiding getoetst kunnen worden. De creatieve scheppende kunstenaar moet worden erkend als zijnde de spilfiguur in het scheppen van het artistieke patrimonium van vandaag.

Met inachtname van de correcte en gezonde afweging van de keuzes waarbinnen overheidsmiddelen in de cultuursector geïnvesteerd worden, is het evenwel een vergissing om in budgettair moeilijke tijden de cultuursector als een van de eersten te viseren. De leefkwaliteit waartoe cultuur bijdraagt en de kritische zin die ze aanwakkert, zijn in crisistijden minstens even belangrijk, misschien zelfs belangrijker, dan in economisch florissante tijden. Het getuigt dan ook van weinig ambitie noch inzicht, dat de regeringen in Vlaanderen, Nederland en Engeland op een zo botte manier het mes zetten in de cultuuruitgaven.

Evenmin is het aan de orde om in budgettair moeilijke tijden te verwachten of ervan uit te gaan dat de kunstenaars meer in de pas moeten lopen, en hun kritische blik op de politiek en de maatschappij opzijzetten. Neen, precies dan heeft de kunstenaar een verhaal te vertellen, dat weliswaar zijn eigen verhaal is, maar dat in combinatie met de verhalen van zijn collega’s ervoor zorgt dat de samenleving niet eendimensionaal puur economische wetmatigheden volgt en kritisch blijft tegenover de maatschappelijke beleidskeuzes die worden gemaakt.

Vanuit het belang dat cultuur in onze samenleving inneemt, niet alleen voor elk individu op zich maar voor de graad van openheid en creativiteit van de hele maatschappij, spreekt het voor zich dat cultuur- en kunstfinanciering geen exclusieve opdracht van de overheid alleen is, maar ook van de economische sector en de ondernemingen. De overheid moet wel haar eigen verantwoordelijkheid ten volle blijven nemen en zich niet schaamteloos terugtrekken uit een dynamiek die de burgers wakker en alert houdt. Dat zou nefast zijn voor het aanscherpen van de creativiteit waar onze 21ste eeuw zo’n behoefte aan heeft.

 

Verschenen in de Morgen