Opinie: “De grote les die Elie Wiesel ons heeft geleerd en die we moeten toepassen bij elk vreselijk conflict waarin onschuldigen lijden”

4 July 2016

Zaterdag (2 juli) overleed de Hongaarse Jood Elie Wiesel, een overlevende van Auschwitz-Birkenau. In De Morgen schreef Patrick Dewael een opiniestuk over de boodschap die Wiesel uitdroeg en het belang om nooit te vergeten. “We moeten partij kiezen. Neutraliteit is in het voordeel van de onderdrukker, nooit in het voordeel van het slachtoffer”, aldus Wiesel.

De laatste directe getuigen van de Holocaust sterven langzaam maar zeker uit. Enkele jaren geleden stierf Regine Beer die Auschwitz overleefde en daarover getuigde in tal van scholen, en wat later verloren we Natan Ramet, die als stuwende kracht mee aan de basis lag van de Kazerne Dossin in Mechelen.

Zaterdag overleed de Hongaarse Jood Elie Wiesel die in 1944 als kind gedeporteerd werd naar Auschwitz-Birkenau en het ook overleefde, maar er wel al zijn familieleden verloor. Hij getuigde over de gruwel in meer dan veertig boeken, waaronder zijn beroemde werk Nacht. Dit boek wordt samen met Is dit een mens van Primo Levi en Het achterhuis van Anne Frank beschouwd als een van de belangrijkste werken in de Holocaustliteratuur. Ik las Nacht in de periode dat ik als Vlaams minister-president de eerste stappen zette in de oprichting van het Holocaustmuseum in ons land. Het heeft een verpletterende indruk op mij gemaakt.

Elie Wiesel benadrukte het vreselijke lot dat de Joden moesten ondergaan. Waar was God toen al die onschuldige mensen – onder wie ook kinderen, vrouwen en ouderlingen – vermoord werden? Hij zag het als zijn taak om nooit te vergeten wat er toen gebeurde: “Als we de slachtoffers vergeten, vermoorden we ze steeds weer”, zo was zijn boodschap. Juist daarom is het belangrijk dat zoveel mogelijk mensen, vooral jongeren, het museum in Mechelen bezoeken.

Ondanks het feit dat Elie Wiesel in het concentratiekamp zijn geloof in al zijn geestelijke waarden verloor, vond hij de kracht om opnieuw te geloven in de goedheid van de mens, en op te komen voor wederzijds respect, verdraagzaamheid en rechtvaardigheid. Al waarschuwde hij voortdurend voor mogelijke nieuwe uitwassen, barbarij en antisemitisme. Hij riep de mensheid op om waakzaam te blijven en zich in te zetten voor de vele weerloze en onschuldige mensen di onvermijdelijk het slachtoffer worden van onmenselijke en immorele praktijken. Zij bevinden zich in een dermate kwetsbare positie dat neutraliteit geen optie kan zijn. “De neutralen,” aldus Elie Wiesel, “helpen altijd de beulen, zuiver en alleen al door hen hun gang te laten gaan.”

Bij zijn dankrede naar aanleiding van het in ontvangst nemen van de Nobelprijs voor de Vrede, op 10 december 1986, benadrukte Elie Wiesel de menselijke plicht om in geval van onrecht partij te kiezen tegen de onderdrukker: “We moeten partij kiezen. Neutraliteit is in het voordeel van de onderdrukker, nooit in het voordeel van het slachtoffer. Stilte moedigt de beul aan, nooit de gefolterde. Soms moeten we ingrijpen. Als menselijke levens in gevaar komen, als de menselijke waardigheid op het spel staat en nationale grenzen en gevoelens irrelevant worden. Overal waar mannen en vrouwen vanwege hun ras, religieuze of politieke overtuiging vervolgd worden, moet die plaats – op dat moment – het centrum van het universum worden.”

Dat is de grote les die Elie Wiesel ons geleerd heeft en die we moeten onthouden en toepassen bij elk vreselijk conflict waarin onschuldigen lijden.

 

Copyright De Morgen

Filmrecensie ‘Son of Saul’

31 October 2015

De enige echte getuigen van het lijden, kunnen alleen de doden zijn

Son of Saul van de Hongaarse regisseur Laszlo Nemes is een bijzonder aangrijpende film over één van de meest duistere kanten van de Holocaust. De film brengt de laatste uren van Saul in beeld, een lid van een Sonderkommando-eenheid in het vernietigingskamp Auschwitz. Deze Sonderkommando’s waren kleine groepen Joden die werden afgescheiden van de andere gevangenen en onder bedreiging van de SS-bewakers moesten assisteren bij de systematische vernietiging van de Joden.
Het verhaal van de Sondercommando’s is niet zo bekend. Nochtans moet het één van de meest afschuwelijke ervaringen geweest zijn die sommige Joden moesten ondergaan. De manier waarop Nemes dit in beeld brengt kan geen ziel onberoerd laten. De beelden van de gruwel zijn vaak suggestief en flou, maar ze maken wel de essentie uit van de film. Saul moet de lijken van de vergasten uit de dodenkamer halen, de gouden vullingen uit de tanden verwijderen en de lijken vervolgens naar het crematorium brengen om ze te verbranden. Ook het opruimen van de assen behoorde tot de taken van de Sonderkommando’s. De Nazi’s noemden hen cynisch de ‘bevoorrechten’ omdat ze zogezegd in leven mochten blijven. Maar om de zoveel weken werden ook zij vergast zodat er geen getuigen meer zouden zijn. Ook Saul beseft dit.

Naast de gruwel van de Holocaust en de ‘endlösung, is er het persoonlijk verhaal van Saul dat je bij de keel grijpt. Wanneer hij het lijk van een jongetje moet opruimen, vermoedt hij dat het zijn zoon is. Hij wil dat zijn zoon ontsnapt aan de verbranding, de anonimiteit, en wil dat hij eervol wordt begraven volgens de voorschriften van zijn geloof. Het is bijzonder bevreemdend te zien hoe Saul enerzijds functionneert in een machinerie waarbij duizenden medemensen worden vermoord, en anderzijds hoe hij een enorme levensdrang put uit het willen begraven van zijn zoon. Het doet je concluderen dat de overlevingsdrang van de mens -hoe wreed de context ook- enorm groot is, en dat je die puurt uit liefde voor je naasten, versterkt door een onwrikbaar geloof. De film lijkt op die manier een antwoord te bieden op de vraag hoe mensen er in geslaagd zijn de Holocaust te overleven. Dat Saul slechts één keer lacht, op het einde van de film bij het zien van een levend jongetje dat hij voor zijn zoon houdt, bevestigt dit vermoeden.

Deze film treft je op een andere manier dan bijvoorbeeld “Schindlers’ List” van Steven Spielberg, “Amen” van Costa Gavras en “De Pianist” van Roman Polanski. Die films spelen volgens mij te veel in op de clichés rond de Holocaust. “Son of Saul” ligt meer in de lijn van “Shoah” van Claude Lanzmann en de documentaire “De Laatste Getuigen” van Luckas Vander Taelen. Dat zijn verhalen die het meer moeten hebben van persoonlijke verhalen en emoties, authentieke getuigenissen en indringende beelden. Bij “Son of Saul” beseft de kijker dat een toekomstige dode aan het woord is. Iemand die beter dan wie ook de hel van Dante kan begrijpen en beschrijven. Holocaust-overlever Primo Levi schreef in zijn boek “De verdronkenen en de geredden” dat “de enige slachtoffers die echt zouden kunnen getuigen van het lijden, alleen de doden zijn”. Wel, in deze film krijg je als kijker meer dan ooit het gevoel dat je je in de schoenen van Saul bevindt. Het nerveuze en onrustige camerawerk dat letterlijk op het lijf zit van Saul, draagt daar ongetwijfeld aan bij. Je ervaart zélf het drama waarin hij zich bevindt. En bovenal de verstikkende onmacht.

Tot slot wil ik het immens belang van films zoals “Son of Saul” onderstrepen. Omdat ze de gruwel van de Holocaust beenhard verbeelden. Echt weten, laat staan begrijpen wat miljoenen mensen in hun laatste uren hebben doorstaan, zal nooit mogelijk zijn. Maar ik kan me inbeelden dat deze film akelig dichtbij komt. Films als deze houden de donkerste pagina uit de menselijke geschiedenis in leven. En dat is nodig, ook al zijn de feiten nog maar 70 jaar geleden. Ik citeer opnieuw Levi: “De vernietigingskampen zijn het product van een met uiterste consequentie in praktijk gebrachte wereldbeschouwing; zolang die wereldbeschouwing bestaat, dreigen ons de consequenties. De geschiedenis van de vernietigingskampen dient door ieder mens begrepen te worden als een sinister alarmsignaal.” In mijn boek ‘Wederzijds respect, de gevaren van het Blok’ uit 2001 schreef ik al dat elementen van die wereldbeschouwing ook vandaag nog bestaan. Iedereen zou deze film dus moeten bekijken. Om nooit te vergeten.

Deze recensie verscheen in De Morgen van 31 oktober 2015.

Opinie: Van Griekse crisis naar Europese catharsis

17 July 2015

Het akkoord tussen Griekenland en Europa toont de beperkingen aan van de huidige Europese constructie. Als we willen vermijden dat Europa zich voortsleept van crisis naar crisis zullen we de Europese en Monetaire Unie verder moeten verdiepen en integreren. Weg van de Griekse crisis, op naar de Europese catharsis. Eerst en vooral hebben we nood aan een Europese minister van Financiën, die onder controle van het Europees Parlement, de muntunie echt kan besturen.

De Griekse politiek en economie zijn de afgelopen decennia mismeesterd. Jarenlang hielden christendemocraten en socialisten een corrupt en cliëntelistisch in stand, zonder de economie te moderniseren en te enten op de Euro. De gevolgen zijn navenant: vooral voor de Grieken, maar heel het Europroject stond plots op de helling. Het akkoord van maandag tussen Europa en Griekenland geeft de Grieken opnieuw perspectief op een toekomst mét de Euro. Ja, het akkoord zal inspanningen vergen, maar is broodnodig om de lidstaat terug op het juiste spoor te zetten. Het gaat niet enkel over begrotingscijfertjes, maar vooral over hervormingen. Hervormingen die Griekenland binnen de bandbreedte brengen waarbinnen lidstaten zich moeten bewegen opdat de Euro kan werken. Tsipras kan niet uitleggen dat iedereen in Europa langer aan de slag moet en de pensioenleeftijd overal verhoogd wordt, behalve in Griekenland. Hij kan niet uitleggen dat het gemiddeld 9 maanden duurt voor je in Griekenland een eigen bedrijf kan opstarten. En hij kan niet uitleggen dat zijn land vier openbare omroepen bezit. Eender welke politicus die verkiezingsbeloftes doet die buiten de beleidsbandbreedte van de Euro vallen, én vasthouden aan die eenheidsmunt, maakt zijn kiezers blaasjes wijs. Het is nu aan de Griekse regering om de beloofde hervormingen ook uit te voeren.

Maar tegelijkertijd moet Europa lessen trekken uit deze crisis. Flirten met de grenzen van de economische en monetaire unie, afmattende maar ook ondemocratische en ontransparante marathonvergaderingen, gijzelingen met veto’s en referenda… Zo kan het niet langer. We moeten dan ook het momentum grijpen om fundamentele institutionele hervormingen door te voeren. Een monetaire unie heeft een politieke en economische onderbouw nodig. Het rapport van de Vijf Voorzitters (Europese Raad, Commissie, ECB, Eurogroep en Europees Parlement), dat de muntunie wil versterken, was al een stap in goede richting, maar er moet meer gebeuren. Een cruciale stap is het in het leven roepen van een Europese economische regering die de Eurozone bestuurt, en daarvoor verantwoording aflegt in het Europees parlement, niet in 19 nationale parlementen. De hoofdtaak van die Europese Financiënminister zou er in moeten bestaan om het beleid van de Eurolanden op belangrijke domeinen zoals de arbeidsmarkt, pensioenen, begroting… te stroomlijnen en binnen een afgesproken bandbreedte te brengen. Hoe de lidstaten dat beleid dan concreet uitvoeren, kiezen ze zelf. En het is aan de nationale parlementen om die invulling te controleren. Beide democratieën kunnen perfect naast mekaar bestaan. Voorts moet die Financiënminister ook over een begroting beschikken, om te investeren en de munt te ondersteunen. Ook het Junckerfonds moet versneld worden uitgevoerd, zodat de Europese economie de broodnodige impuls krijgt die het nodig heeft.

Het is onbegrijpelijk dat sommigen de Griekse crisis aangrijpen om te pleiten voor minder Europa. De Unie speelt vandaag een belangrijke rol in de wereldeconomie, net dankzij de euro. Als we de Belgische frank, Duitse mark, Griekse drachme of Spaanse peseta terug invoeren, zijn we niet alleen veel kwetsbaarder, maar is onze internationale rol ook uitgespeeld. Zoals André Leysen zei: crisissen zijn uitdagingen, laten we het momentum dan ook grijpen in plaats van met ogen open in een nieuwe crisis te wandelen.

Dit opiniestuk van Patrick Dewael en Philippe De Backer verscheen op www.tijd.be.

Opinie: Vrijhandelsverdrag met VS is geen uitverkoop aan ‘corporate America’

12 June 2015

Recent was EU-handelscommissaris Malmström te gast in de Kamer om er toelichting te geven bij het ‘Transatlantic Trade and Investment Partnership’. ‘T-TIP’ is een ambitieus vrijhandelsakkoord dat de handel en investeringen tussen Europa en de Verenigde Staten krachtig moet stimuleren. En vrijhandel heeft die kracht om vooruitgang en welvaart te creëren, ook voor ons land. Het volume van de wereldhandel steeg de laatste 15 jaar met meer dan de helft. Het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Zuid-Korea zorgde bijvoorbeeld voor een toename van de Europese uitvoer met 35%. Eén op de zes Belgen heeft zijn job te danken aan Europese export. De eindbalans van deze toegenomen handelsstromen komt voor alle burgers neer op meer groei, meer jobs, meer welvaart.

Nochtans krijgt T-TIP af te rekenen met een hardnekkige oppositie van andersglobalisten, vakbonden, consumenten- en milieuorganisaties die vrezen dat het een paard van Troje is, een uitverkoop aan ‘corporate America’. Sommige bezorgdheden zijn terecht, maar al bij al dreigen ze het grotere plaatje uit het oog te verliezen en het kind met het badwater weg te gooien. Het wordt dringend tijd dat het belangrijke maatschappelijk debat over T-TIP en vrijhandel opnieuw over feiten en reële bezorgdheden gaat, en niet over populistische fabels.

Kansen voor Europese bedrijven

Concreet onderhandelen de twee grootste economische blokken ter wereld over het wegwerken van douanetarieven en onnodige administratieve barrières. Dat betekent onder meer het beter op elkaar afstemmen van Europese en Amerikaanse regels. Zo neemt T-TIP een groot aantal belemmeringen weg, waardoor sectoren waarin België wereldleider is, zoals de farmacie of de baggeraars, niet langer kansen missen op de Amerikaanse markt. T-TIP creëert echter vooral opportuniteiten voor KMO’s omdat zij het meeste last hebben van administratieve kluwens, ‘red tape’ en afwijkende standaarden. Een voorbeeld: een Europese producent van elektrisch gereedschap heeft tot 15% hogere kosten omdat hij voor twee identieke machines bijvoorbeeld verschillend gekleurde bedrading moet gebruiken. Dergelijke belemmeringen behoren binnenkort tot de verleden tijd.

Behoud van standaarden en democratische controle

De tegenstanders betogen echter dat deregulering leidt tot het slopen van onze hoge Europese standaarden, waarvan de burger en consument het slachtoffer zijn. Ze hebben angst voor een ‘race to the bottom’ van sociale en milieuregelgeving. Kiest de Verenigde Staten immers niet voor een ‘risicogebaseerde aanpak’, waarbij stoffen worden toegelaten zolang hun schadelijkheid niet is aangetoond? Ja, en ook de Wereldhandelsorganisatie doet dat, waardoor de EU al enkele veroordelingen heeft opgelopen.

De Commissie onderhandelt echter niet met een blanco cheque, maar met een duidelijk mandaat. Zo houdt ze vast aan het ‘voorzichtigheidsprincipe’ waardoor bepaalde stoffen pas mogen gebruikt worden indien hun onschadelijkheid is aangetoond. Daarenboven is de Commissie onderworpen aan de democratische controle van het Europees Parlement, de Raad en de parlementen van de lidstaten. Zij wordt geacht te onderhandelen in het belang en niet op de kap van consumenten en producenten. Of zoals Malmström zelf zei: “C’est n’est pas Business Europe qui négocie, c’est moi.” Daar zal ook Open Vld in de Kamer en in het Europees Parlement ook nauwlettend op toezien.

ISDS, een kwestie van rechtszekerheid

Het felst bestreden onderdeel van T-TIP is de ‘investor-to-state dispute settlement’-clausule die voorziet in arbitragemechanisme tussen een investeerder en overheid in geval van een conflict. Deze standaardprocedure is bedoeld om grotere rechtsbescherming te bieden aan Europese bedrijven in rechtsonzekere landen. Natuurlijk zijn de lidstaten van de EU en de Verenigde Staten van Amerika geen landen waar grote rechtsonzekerheid heerst, maar we kunnen niet met twee maten en gewichten meten. Als we ooit zo’n mechanisme willen om Europese bedrijven te beschermen tegen pakweg een wispelturige Chinese overheid, dan moeten we de standaard zetten en dat mechanisme ook voorzien in het grootste vrijhandelsakkoord. Uiteindelijk gaat het om niets meer of minder dan het toezicht op en de correcte toepassing van wat men in het vrijhandelsverdrag overeen komt. Uiteraard moet de onafhankelijkheid van de arbiter gewaarborgd zijn. Eind mei kwam er in het Europees parlement een akkoord tot stand over een hervormd arbitragesysteem met meer kenmerken van een traditionele rechtbank, zoals bijvoorbeeld vastbenoemde rechters, een beroepsprocedure en publiek toegankelijke hoorzittingen. Parallel werkt de Commissie verder aan een multilateraal investeringsarbitragehof met vaste rechters.

The bigger picture

90 procent van de wereldwijde economische groei zal de komende 15 jaar buiten de EU worden gecreëerd. Dat is een harde realiteit. Maar de EU en VS hebben met het T-TIP een mooie kans om hun positie op het economisch wereldtoneel te bestendigen. Sterker nog, we zullen onze hoge standaarden net kunnen vrijwaren en opleggen als model voor in de wereldhandel. Ofwel nemen we het voortouw, ofwel blijven we langs de zijlijn toekijken hoe de spelregels elders worden bepaald. Wie TTIP verwerpt, kiest niet voor het status quo, maar voor achteruitgang. Laten we vooral ook niet uit het oog verliezen dat het economische trans-Atlantische blok een sterkere positie zal verwerven op het geopolitieke schaakbord.

Kortom: T-TIP bevordert onze welvaart en groei door een vrijere handel, maar het is géén vrijgeleide voor de VS om Europese regels, bijvoorbeeld op vlak van voedselveiligheid, te omzeilen. Integendeel, T-TIP zal ons toelaten onze burgers en waarden te beschermen. Het zorgt voor goesting om internationaal te ondernemen zonder zomaar z’n goesting te doen. Wij kiezen alvast voor die waakzame, open blik naar de wereld waarin wij als Europeanen onze rol willen en kunnen blijven spelen. Globalisering gaat verder, met of zonder TTIP. De keuze is dan ook aan ons: willen we de globalisering langs de zijlijn ondergaan of bepalen we mee het spelverloop op het terrein?

Dit opiniestuk van Patrick Dewael (Kamerfractieleider), Lode Vereeck (Senator) en Philippe De Backer (Europarlementslid) verscheen op www.tijd.be.

Opinie: "Investeer in springplanken, niet in witte olifanten"

25 March 2015

Om het investeringsplan-Juncker tot een succes te maken, moet Europa haar barrières slechten en middelen zoeken zonder groei en innovatie te hypothekeren. De lidstaten staan voor een grotere uitdaging. In plaats van de schuiven met verkiezingsbeloften leeg te maken, zullen ze in breed overleg investeringsprojecten moeten klaarstomen die private investeerders kunnen verleiden.

 

Sinds de financiële crisis kampt de EU met een pijnlijk laag investeringsritme, waardoor we een economische doorstart en duurzame groei op het spel zetten. De economie moet vertrouwen herwinnen. Begrotingsdiscipline en structurele hervormingen, een soepel monetair beleid en een heus investeringsplan van de commissie Juncker moeten daarbij helpen. Maar enkele maanden na de lancering van het plan-Juncker, is het duidelijk dat zowel de EU als haar lidstaten uit hun pijp zullen moeten komen om dat plan te doen slagen.

 

Iedereen is het er over eens dat Europese landen moeten investeren in toekomstgerichte sectoren en belangrijke infrastructuurprojecten. Voorwaarde 1 is dan dat de EU de bestaande barrières in bijvoorbeeld de digitale, kapitaal-, transport- en energiemarkt wegwerkt. Zo zijn er nog steeds 28 afzonderlijke telecommarkten -roaming anyone?-, is investeren in het buitenland nog altijd te complex en staat de connectiviteit tussen landen op de energiemarkt nog steeds in de kinderschoenen. Als Europa niet verder integreert, willen bedrijven niet investeren in ons onaantrekkelijk lappendeken.

 

Daarnaast moet de commissie voor haar investeringsplan een werkbaar kader en financiering uittekenen. Het is in deze tijden positief dat Juncker naar middelen uit de bestaande begroting kijkt om het waarborgfonds van 21 miljard te vullen. Maar je kan niet geld simpelweg weghalen bij projecten die gelijkaardige toekomstgerichte doelen ondersteunen. Horizon2020 maakt baanbrekend onderzoek en innovatie mogelijk, terwijl Connecting Europe Facility grensoverschrijdende connectiviteit in de energie, transport en digitale markten stimuleert. Juncker moet elders in de Europese begroting zoeken naar middelen. Met de niet-gebruikte euro’s uit goed gespijsde cohesie-en landbouwfondsen komt hij al een heel eind.

 

Voor elke euro die Europa op tafel legt, verwacht ze 15 private euro’s los te weken. Voluntarisme is een deugd, maar er zal dus minstens evenveel overtuigingskracht nodig zijn. Duidelijke en gestroomlijnde regels rond publiek-private samenwerkingen zijn onontbeerlijk. Investeerders verwachten van Europa ook rechtszekerheid, duidelijke criteria, een objectieve selectieprocedure en nauwe betrokkenheid. Alleen zo kunnen we verzekeren dat overheids- en vooral privaat geld vloeit naar economische springplanken, in plaats van onhaalbare verkiezingsbeloften die witte olifanten worden.

 

Het is aan de lidstaten om projecten voor te leggen die een duidelijke meerwaarde bieden voor de samenleving, economie en investeerder. Momenteel slaagt België daar nog niet in. De federale en gewestregeringen hebben al hun schuiven leeggemaakt. 77 miljard euro aan projecten, of een kwart van het hele fonds! Opnieuw, voluntarisme is een deugd, maar realiteitszin evenzeer. Premier Michel beloofde in de Kamer op onze expliciete vraag alvast een nieuwe lijst op te stellen met de deelstaten.

 

Voor de toekomst van ons land, is die oefening eigenlijk minstens even belangrijk als pakweg een begrotingscontrole. We vragen dan ook dat ze grondig gebeurt. Bottom-up. Onze regeringen moeten een lijst opstellen in intensieve dialoog met potentiële investeerders, met innovatieve bedrijven en onderzoekers, met burgerplatformen, met de parlementen, en uiteraard ook met elkaar bij voorkeur in het overlegcomité. Alleen zo kunnen we een goede lijst voorleggen met prioritaire, noodzakelijke, baanbrekende maar ook goed voorbereide projecten met een draagvlak en meerwaarde voor ons land, Europa en investeerders.

 

Die projecten kunnen concreet zijn, zoals de bouw van de Oosterweel met eventuele overkapping om onze logistieke ambities, vlotte mobiliteit en leefbaarheid te verzoenen. Die projecten kunnen internationaal zijn, zoals de uitbreiding van de energie-interconnecties. Zodat Britse wind, onze oven kan warmen. Die projecten moeten vernieuwend zijn, want echte vooruitgang in wetenschap en innovatie, boek je per definitie met trial & error. Dat weet een land als België dat ooit aanvoerder was van de Europese innovatie-index. Instituten als het VIB, IMEC, Vito en EnergyVille spelen vandaag mee aan de Europese en wereldtop. Laten we hen helpen hun uitvindingen sneller naar de markt en consument te brengen.

 

Het mag duidelijk zijn: het Juncker-plan heeft potentieel om te verworden tot een hefboom die onze Europese samenleving en economie zal verbinden, innoveren en doen groeien. Maar dan moeten Europa en de lidstaten zelf eerst aan de bak. There is no such thing as a free lunch.

 

Dit opiniestuk van Patrick Dewael & Philippe De Backer verscheen in de Tijd van 25 maart 2015.

Opinie: Geen werk voor outsiders? Daar moeten we samen werk van maken

12 March 2015

De ambitie van de regering om SWT’ers niet in de werkloosheid te dumpen tot hun pensioen doet de gemoederen hoog oplopen. Vakbonden en de linkse oppositie roepen dat je ouderen niet moet ‘pesten’ met een verplichte zoektocht naar werk dat er niet is. Dat is – zacht uitgedrukt- een defaitistische vaststelling, waar wij liberalen ons niet bij neerleggen. Want het is wel degelijk mogelijk werk te creëren, maar dat betekent wel dat we onze arbeidsmarkt dringend moeten moderniseren. Het klopt dat werkloze 55-plussers, net zoals jongeren en allochtonen, vandaag moeilijk aan de slag geraken. De redenen daarvoor zijn eenvoudig. Vooreerst zijn ouderen vaak te duur voor werkgevers. We moeten in onze loonvorming dan ook dringend afstappen van het lineair verhogen van lonen met leeftijd of anciënniteit. Daarnaast is onze arbeidsmarkt veel te rigide, wat ertoe leidt dat hij enkel toegankelijk is voor ‘insiders’. De ‘outsiders’ blijven in de kou staan. De arbeidsorganisatie, de verworven rechten en de loonvorming van de insiders zijn vooral op maat van de blanke, hoog opgeleide man, en in mindere mate vrouw, die tussen de 25 en 45 jaar oud is en voltijds werkt. Zij maken het haast onmogelijk voor outsiders –jongeren, ouderen, mensen met een migratieachtergrond- om zo’n ‘volwaardige’, goed betaalde job en een vast statuut te verwerven. Door zich conservatief te verzetten tegen een modernisering van de arbeidsmarkt, nemen vakbonden het de facto enkel op voor de insiders. De politiek moet daarentegen de belangen van iedereen verdedigen. We hebben dus dringend nood aan een arbeidsmarkt 2.0. Die biedt mensen die willen werken niet langer jobzekerheid, maar wel werkzekerheid. Minder en minder mensen doorlopen een loopbaan van meer dan 40 jaar bij één en dezelfde werkgever, laat staan dat ze dat wensen. Meer en meer mensen willen in de verschillende fases van hun carrière een job die op dat moment aansluit bij hun levenssituatie en competenties. Waarom mag de jeugd geen broodnodige ervaring opdoen in een deeltijdse baan met een leertraject? Waarom kunnen ouderen hun ervaring niet doorgeven in een andere sector, in een minder belastend beroep of aan een rustiger tempo? Het is inmiddels duidelijk dat de filosofie achter vervroegde uittreding –plaats maken voor jongeren op de arbeidsmarkt- mank loopt. De participatie van jongeren en ouderen blijft ondermaats, terwijl de dertigers en veertigers zich te pletter werken om de kost te dragen. Daarom moeten we arbeid bevrijden en zo jobs creëren die vandaag onmogelijk kunnen ontstaan. Niet alleen je job, maar ook je werkritme moet kunnen aansluiten bij je levensfase. Werk op maat maakt werk werkbaar. Dankzij thuiswerk, schoolbelcontracten, flexibele uren, een arbeidstijd die op jaarbasis wordt berekend, wit bijverdienen met flexijobs en flexiuren, de loopbaanrugzak met opgebouwde rechten, ondersteuning van mantelzorg… Het stelt mensen allemaal in staat langer door te gaan, en maakt echte intergenerationele solidariteit dus mogelijk. Flexibele loopbanen zijn overigens persoonlijk verrijkend, omdat nieuwe uitdagingen levenslang leren stimuleren. Overstappen tussen de privé, de publieke sector en vooral naar het ondernemerschap moet gemakkelijker worden. Zeker als we weten dat 42% van de actieven voor de overheid werkt. Een convergentie van de statuten is dus noodzakelijk. Het is onaanvaardbaar dat een zelfstandige vandaag gemiddeld 600 euro pensioen krijgt, een werknemer 1000 euro en een ambtenaar 2200 euro. Mensen moeten niet kiezen voor een type job omwille van de rechten en voordelen, maar omdat die job het best bij hun talenten past. Deze paradigmashift zal ongetwijfeld op verzet botsen. Omdat zogenaamde verworven rechten van ‘insiders’ minder zeker lijken. Het doembeeld van de Duitse minijobs of het Britse ontslagrecht, zonder enige vorm van sociale bescherming. Het tegendeel is waar. Voortaan zal iedereen die werkt sociale rechten opbouwen, niet enkel de overbeschermde vaste fulltimer. Die combinatie van sociale zekerheid en flexibel werken noemen academici ‘flexicurity’. De Scandinavische landen wijzen de weg. Het systeem creëert er jobs én groei. In Zweden is 75% van de 60-plussers aan de slag. België bengelt met 23% achteraan het Europese peloton. Wat tewerkstelling van personen met een migratieachtergrond betreft, zijn we hekkensluiter. De gevolgen laten zich voelen. Laten we dus samen onze arbeidsmarkt moderniseren, zodat ze inclusief en toegankelijk wordt. Voor allochtoon en autochtoon, oud en jong, vrouw en man, alleenstaande moeders en werklustige gepensioneerden. Dat is een opdracht voor de politiek én de sociale partners. In Zweden en Denemarken kon het. De regeerakkoorden zetten ons een heel eind op weg. Als de vakbonden nu eens evenveel energie steken in de emancipatie van de outsiders, als ze vandaag investeren in het overeind houden van het weinig sociale SWT-statuut. Een echte rechtvaardigheidsagenda draait immers niet om het garanderen van verworven rechten, maar om het realiseren van recht op werk voor ieder individu, en zeker zij die nu zwak staan op de arbeidsmarkt.   Dit opiniestuk verscheen in de Tijd van 12 maart 2015. 

Opinie: Schaf de lijststem af, en ruil particratie voor meer democratie

23 February 2015

Kamerfractieleider Patrick Dewael wil het effect van de lijststem bij het toewijzen van zetels aan parlementsleden neutraliseren. Volgens de Open Vld’er moet de kiezer -en niet de partij- bepalen wie gaat zetelen.

 

Je kan in het kieshokje een geldige stem uitbrengen door bovenaan de lijststem te kleuren of een of meer bolletjes van kandidaten te kleuren. Wat velen echter niet beseffen, is dat deze keuze grote gevolgen heeft voor de kandidaten.

 

Met een lijststem verklaart de kiezer zich immers akkoord met de volgorde van de kandidatenlijst zoals de partij die heeft bepaald. Die lijststemmen worden vervolgens verdeeld onder de kandidaten die niet genoeg naamstemmen verzamelden om rechtstreeks te worden verkozen. Bij die verdeling begint men bovenaan de lijst.

 

De kans om verkozen te geraken is dus in grote mate afhankelijk van de plaats op de lijst. Een kandidaat op plaats 2 of 3 moet zich weinig zorgen maken om verkozen te geraken. Hij of zij kan immers tellen op stemmen uit de pot. Maar daardoor valt een kandidaat op pakweg plaats 10 geheid uit de boot, ondanks zijn hoger aantal voorkeurstemmen.

 

Dat is volgens ons niet echt democratisch. De stem van de kiezer is in het huidige systeem ondergeschikt aan de wil van de partijen. Want zij bepalen wie op welke plaats staat, en dus ook in grote mate wie verkozen geraakt. Kandidaten hebben er dus alle belang bij in de gunst van de lijstvormers te staan om een goede plaats te verwerven, en eens verkozen ook te behouden bij de volgende verkiezingen. Een sterk staaltje particratie dus. En dit systeem maakt ‘slachtoffers’. 14 Kamerleden en 11 Vlaamse volksvertegenwoordigers bemachtigden in 2014 een zetel dankzij hun goede plaats en ten koste van een kandidaat die meer steun van de kiezer genoot. Wielrenners krijgen toch ook geen 100 meter voorsprong omdat de ploegleider hun een lager rugnummer geeft?

 

Open Vld ziet liever echte volksvertegenwoordigers die hun zetel op eigen kracht verdienen in de parlementen in plaats van partijvertegenwoordigers. Open Vld wil meer democratie en minder particratie. Open Vld wil dus af van de lijststem. In 2000 hebben we het effect van de lijststem afgezwakt door het aantal te verdelen ‘potstemmen’ te halveren. Nu is het tijd om komaf te maken met het hele systeem.

 

Concreet blijft volgens ons wetsvoorstel een lijststem bestaan, maar telt die enkel mee voor het aantal zetels dat een partij behaalt. Wie die zetels bezet, wordt enkel en alleen afhankelijk van de naamstemmen die de kandidaten behalen, ongeacht hun plaats.

 

Een veelgehoorde kritiek is dat een partij zo geen nieuw bloed naar het parlement kan sturen of ‘backbenchers’ kan belonen voor hun goed werk in het parlement. Dat klopt niet. De partij kan immers een signaal blijven geven door hen hoog op de lijst te plaatsen. Maar het is aan de kiezer om hier al dan niet gevolg aan te geven. Onderzoek wijst uit dat wie hoog op de lijst staat, sowieso meer stemmen haalt. Het klopt overigens ook niet dat vrouwen het slachtoffer zouden worden van dit voorstel. Vrouwen en mannen krijgen even veel plaatsen op de lijst en halen tegenwoordig gemiddeld even veel voorkeurstemmen.

 

Alle kandidaten verdienen een faire kans om verkozen te worden. De democratie directer maken en er meer burgers actief in betrekken, dat is ons uiteindelijke doel. Dat is essentieel om het vertrouwen in politiek en politici te vergroten.

 

Dit opiniestuk verscheen in het Belang van Limburg van 21 februari 2015.

Opinie: Europa, geef perspectief en u zal gezond worden

2 January 2015

Europa zit gewrongen. Enerzijds legt het haar lidstaten zware saneringen en een ijzeren budgettaire discipline op, noodzakelijk om het vertrouwen in de economie en munt te ondersteunen. Anderzijds dreigt die sanering het democratisch draagvlak uit te hollen en economische groei en investeringen de nek om te wringen, nochtans minstens even noodzakelijk om uit het moeras te geraken. Maar sluiten beide politieken mekaar wel uit, vraagt Patrick Dewael zich af?

Tijdens mijn studententijd was Europa een enthousiasmerend en hoopgevend project. De ‘ever closer union’ deed de economie van elke lidstaat ongezien groeien en de verstrengeling op economisch en politiek vlak maakte van Europa niet alleen een vreedzaam, maar ook internationaal zelfbewuster continent.

Vandaag schiet er van dat vooruitgangsoptimisme en wervend project nog maar weinig over. Of zo lijkt het althans. Eén financiële kortsluiting volstond om het Europese huis in lichterlaaie te zetten. Niet moeilijk, gezien de fundamenten voor de economische en muntunie ontbraken. Europa verwerd na 2008 tot een boeman, de sanerings-nv Barroso-Rehn, die enkel nog oog had voor het respecteren van schuld- en begrotingsregels die het nota bene eerder nooit had afgedwongen. Het project van economische groei geraakte ondergesneeuwd onder het verstikkende schuim van de blusapparaten.

Ja, lidstaten moeten begrotingen in evenwicht brengen en hun schulden beheersbaar maken. Ja, lidstaten moeten structurele hervormingsmaatregelen treffen. Bindende Europese regelgeving zoals de 2-pack, 6-pack, Stabiliteits- en Groeipact en het Europees Semester… zijn dus noodzakelijk. Niet om de cijfers te doen kloppen, maar om het economisch weefsel van de lidstaten te versterken, hun sociale welvaartsstaat te ondersteunen, maar ook om de Eurozone en EU als geheel te versterken.

Lidstaten zouden dus moeten inzien dat saneren en hervormen in hun eigenbelang is. De regering Michel I neemt wat dat betreft haar verantwoordelijkheid en geeft verder uitvoering aan talrijke beleids- en hervormingsaanbevelingen waardoor we onze verplichtingen nakomen. Ierland zette met hulp van de Trojka orde op zaken en is nu een van de meest innovatieve en groeiende economieën van de Eurozone. Griekenland is dan weer het schoolvoorbeeld van hoe het niet moet. Deze week bleek daar nogmaals dat er grenzen zijn aan het incasseringsvermogen van een democratie onder curatele van Washington en Brussel. En als alle EU-leiders morgen in koor zeggen hoe de Grieken moeten stemmen, zullen die dat advies gegarandeerd aan hun laars lappen.

De Griekse les leert ons dat niet alleen de lidstaten, maar ook Europa haar verantwoordelijkheid moet opnemen, moet uitstijgen boven haar imago van boeman door opnieuw perspectief te geven. Een basisvoorwaarde is dat de bouwstructuur van de unie wordt afgewerkt, met een stabiel kader voor de munt, de banken, budgettair en transparant fiscaal beleid… Daarnaast heeft de EU nood aan nieuwe vrijhandelsakkoorden en een verdere integratie van de markten. Ik denk dan bij uitstek aan energiemarkt, maar ook de digitale, telecom, transport en andere diensten. Zo’n integratieturbo creëert jobs, trekt investeringen aan en stimuleert dus economische groei. Commissievoorzitter Delors bewees dat al eind jaren ’80. Maar absoluut onontbeerlijk voor een Europese groeistrategie zijn investeringen. Duizenden KMO’s willen groeien, maar vinden geen investeerders. Duizenden infrastructuurprojecten wachten op uitvoering, maar overheden hebben geen geld. Duizenden miljoenen aan privaat kapitaal slapen op spaarboekjes, maar geraken niet gemobiliseerd in dit precair klimaat.

Commissievoorzitter Juncker heeft dat begrepen en lanceerde een voluntaristisch investeringsplan ten belopen van €315 miljard, gestut door €21 miljard Europese fondsen die moeten dienen als hefboom voor private en publieke investeringen. Maar tussen droom en werkelijkheid zijn er heel wat obstakels. Niet in het minst -oh ironie- de eigen Europese budgettaire regels. Een voorbeeld: Vlaanderen kan niet investeren in pakweg het ontwarren van de Antwerpse verkeersknoop, de bouw van de Limburgse Noord-Zuidverbinding of andere projecten die de economie onmiskenbaar een enorme boost zouden geven, zonder haar begroting te laten ontsporen.

Lossen we dit op door flexibeler om te springen met de 3%-regel en massaal overheidsgelden te investeren? Ik denk het niet. Dan zou het vertrouwen in de euro opnieuw zoek geraken. Noteer ook dat die 3% al een versoepeling inhoudt van de budgettaire orthodoxie, die ruimte laat voor investeringen. Dat toont aan dat hervormen hand in hand gaat met investeren. Want een begroting in evenwicht geeft je enkele procenten van het BBP ruimte om te investeren in cruciale infrastructuurprojecten en groeisectoren.

Om van het Europees investeringsfonds een succes te maken en effectief de beoogde €315 miljard te mobiliseren, moet er in de eerste plaats privaat kapitaal over de brug gehaald worden. En het zijn de lidstaten die daarin een sleutelrol moeten spelen. Enerzijds moeten ze borg staan voor een aanzienlijk aandeel van de investeringsrisico’s. Daarnaast moeten lidstaten investeringen fiscaal begunstigen zodat die Europese investeringsobligaties interessanter worden dan het spaarboekje. Want laten we niet vergeten dat er op de Belgische spaarrekeningen een slordige €250 miljard slaapt, geld dat niet wordt aangewend voor de reële economie.

Ik geloof in de derde weg tussen het Europa van de blinde besparingen, saneringen en de harde cijfers enerzijds en het Europa van de open geld- en schuldenkraan anderzijds. Geen van beide ideologische paardenmiddelen zal de kwaal verhelpen. Zowel de lidstaten als de EU moeten hun respectieve verantwoordelijkheid opnemen. Saneren, hervormen, relance en investeren zijn het werk van alle overheidsniveaus; een en-en-verhaal, noodzakelijkheden die mekaar niet mogen uitsluiten, maar net moeten versterken. De EU moet even geloofwaardig worden op vlak van investeringen en relance, als ze is op vlak van austeriteit. Europa, geef perspectief, en u zal gezond worden.

 

Dit opiniestuk verscheen in De Standaard van 2 januari 2015.

We hebben nood aan meer liberalisme

11 April 2014

Sinds zowat veertien jaar leven we in een periode van pessimisme. De terreuraanslagen van 9/11, de globalisering, de opmars van China, de toenemende migratiegolven, de ecologische rampspoed, de bancaire crisis sinds 2008 en de daaruit voortvloeiende Eurocrisis hebben heel wat angst en onzekerheid door onze samenleving gejaagd. Zij zijn een boost voor conservatieve, religieus geïnspireerde, nationalistische en populistische partijen die zich keren tegen het individualisme, het liberalisme en de vrije markt. Zij verdedigen een nieuw groepsdenken dat het individu opnieuw ondergeschikt maakt aan een gemeenschap, een geloof, een volk of een andere collectiviteit. Ze staan wantrouwig tegenover de Europese Unie, de globalisering en het kosmopolitisme, en bepleiten een terugtrekking op ‘onze’ eigen collectieve identiteit. Ze maken de mensen wijs dat we uit de crisis geraken door ons terug te trekken achter de eigen grenzen, door vast te houden aan verworven rechten en door terug te grijpen naar vroegere gewoontes en tradities. Ze willen de vrije markt weer aan banden leggen, consuminderen en met meer regels het leven van mensen sturen.

Liberalen zijn het daar niet mee eens. Wij blijven geloven in het individualisme als sterkste motor voor vrijheid, vooruitgang en algemene welvaart. De gigantische uitdagingen waarmee we geconfronteerd worden, lossen we niet op door ons terug te plooien op het verworvene, het gekende, het collectieve. Wel door het individu, met zijn of haar initiatief, vindingrijkheid en vooruitgangsdrang, vrij te laten. Door het vizier op de wereld in plaats van de eigen navel te richten. Want liberalen verdragen per definitie geen grenzen.

Dat individualisme heeft niets te maken met egoïsme – daar zet ik mij net zozeer tegen af als anderen – maar alles met het recht op zelfbeschikking. Voor liberalen heeft elke mens, man of vrouw, het recht om zelf te beslissen over belangrijke zaken in zijn leven. ‘De enige reden waarom men rechtmatig macht kan uitoefenen over enig ander lid van een samenleving, tegen zijn of haar zin, is de zorg dat anderen geen schade wordt toegebracht’, aldus de liberale filosoof John Stuart Mill. Dat bakent de grens van de vrijheid, van het recht op zelfbeschikking en van de vrije markt duidelijk af. Je bent vrij om te denken en te handelen voor zover je geen schade toebrengt aan anderen, inclusief de toekomstige generaties.

In die zin bestaat er dus geen absolute vrijheid los van de samenleving waarin men zich beweegt. Vrijheid en plichten ten aanzien van medemensen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Individualisme is niet tegengesteld aan solidariteit. Integendeel, om tot een ware solidariteit te komen, zijn de autonomie en de wilsbeschikking van het individu juist noodzakelijk. En solidariteit is dan weer nodig om kansen te geven aan diegenen die niet in staat zijn om over zichzelf te beschikken. Het is juist binnen een gemeenschapsdenken, binnen een groep, binnen een collectiviteit dat mensen hun persoonlijke verantwoordelijkheid ten aanzien van anderen opgeven en rekenen op de overheid om zwakkeren te helpen. De dramatische gevolgen daarvan hebben we kunnen vaststellen in de voormalige (en huidige) communistische landen en volksrepublieken. Liberalen gruwen van opgelegde collectieve identiteiten, want elke mens heeft het recht om zelf zijn identiteit te bepalen.

Individualisme en het daarmee verbonden liberalisme zijn niet waardenvrij. Het erkent de morele grenzen van de vrijheid en het belang van de vrijheid en gelijkwaardigheid van de medemens. Het wil de samenleving zo inrichten dat mensen de kansen en mogelijkheden krijgen om voor zichzelf uit te maken wat goed voor hen is, zonder dat dit ten koste gaat van anderen. En het is pas vanuit die toestand dat het individu in staat is en wordt aangezet om ook de positie van de medemens te bevorderen. De ‘autonome’ mens erkent zijn medemens niet alleen uit compassie, uit sympathie of ‘om een goed gevoel te beleven’, hij kent ook een ‘plicht’ jegens anderen. Die plicht om er als mens ‘te zijn voor anderen’ is onvoorwaardelijk en vervalt niet omdat iemand geen rechten kan doen gelden op andermans hulp. Op die manier zit in het begrip vrijheid een opdracht verborgen: je kunt ethisch handelen, want het is je plicht. Het is een universele zedelijke wet die je als mens verplicht te doen wat je hoort te doen. De autonomie van het individu is dus gekoppeld aan een plicht tegenover anderen. Een plicht die verder gaat dan een formeel sociaal contract waarbij mensen enkel verplichtingen hebben ten aanzien van anderen voor zover ze vooraf bindende afspraken met elkaar hebben gemaakt. Vele individuen handelen dus samen in het algemeen belang, spontaan beter dan onder dwang.

Recht op eigen verbeelding
Liberalen verwerpen een teveel aan regels en lasten die de inzet, creativiteit en motivatie van mensen afremmen. In die zin staan we wantrouwig tegenover pleidooien voor consuminderen die er steeds op neerkomen dat een centraal gezag beslist wat we wel of niet mogen doet, die de keuzevrijheid inperkt en mensen dwingt een ‘ideale’ levenswijze te volgen. Wij geloven dat de mens in staat is om via zijn of haar creativiteit nieuwe oplossingen te vinden voor bestaande problemen. Wij zien de vrije markt als de beste manier om welvaart, welzijn én een beter milieu te scheppen. Maar het moet dan wel gaan om een echte vrije markt, die werkt binnen een ethisch en moreel kader, met een minimum aantal regels op het vlak van veiligheid, concurrentievermogen, gezondheid, het sociale en het ecologische.

Vanuit een liberale maatschappijvisie verwerpen we de toenemende druk om steeds meer zaken en handelingen te verbieden. We geloven dat het beter is om mensen te empoweren zodat ze bewuster goede keuzes maken. Daarvoor zijn onderwijs, kunst en cultuur van essentieel belang. Empowerment begint op de school, door elk kind te laten proeven van die enorme schat aan wijsheid en kennis die we in de loop van de geschiedenis hebben opgedaan. Die kennisoverdracht is noodzakelijk om zich vrij te kunnen ontwikkelen tot kritische, inventieve en toekomstgerichte volwassene. De overheid kan daarbij helpen, niet door het denken en handelen in te bedden in een voorgekauwde visie, maar door het kader te scheppen waarbinnen mensen al hun mogelijkheden kunnen ontplooien.

Vandaar ook het belang van hedendaagse kunst, van tolerantie en openheid tegenover andersdenkenden, van interesse voor vreemde culturen en talen, en van de noodzaak om grenzen af te breken. Liberalen vinden deze hedendaagse kunst zo belangrijk omwille van het controversiële, het tegendraadse, het constant in vraag stellen, het verleggen van grenzen. Hedendaagse kunst poogt de contouren uit te tekenen van wat de samenleving morgen zou moeten zijn, of opent daarover op zijn minst het debat. Dat is ook wat liberale politici pogen te doen. Zo’n visie op cultuur staat veraf van of zelfs haaks op een nationalistisch en populistisch gedachtegoed die ‘volksverbondenheid’ en de eigen taal centraal stellen. Ze staat ook veraf van het verstikkende ‘socialistische realisme’ van de collectivisten, dat kunst en cultuur gebruikt als propagandamolens voor de bewindvoerders en zich tegen elke vorm van avant-gardisme keert. Liberalen zetten in op het individualisme waarin elke kunstenaar recht heeft zijn eigen verbeelding weer te geven, gevestigde machtsstructuren in vraag te stellen en nieuwe, ongekende wegen te openen. Kunst en cultuur verdragen geen betuttelend en bekrompen nationalisme en provincialisme.

Een liberale samenleving is geënt op burgerdemocratie. Wij hebben geen nood aan een overheid die het hele leven van de burger in verstikkende regels poogt te vatten. Er zijn grenzen aan de maakbaarheid van mens en samenleving. Al te veel regels ondermijnen alleen maar het vertrouwen in die overheid. Ook overdreven en gedwongen solidariteit zijn contraproductief voor een burgerdemocratie, omdat die dwang het draagvlak enkel onderuit haalt en onverschillig maakt. Mensen zijn graag solidair in systemen die transparant zijn en waarvan de resultaten zichtbaar zijn. Een volwassen burgerdemocratie impliceert rechtstreekse banden tussen mensen onderling en burger en overheid. Ze behoeft ook een versterkt democratisch systeem, onder meer op Europees niveau, zodat politici echt verantwoording afleggen aan hen aan wie zij hun macht ontlenen.

Het liberalisme als een ideologie die mensen vrijheid geeft, maar tegelijk appelleert aan hun verantwoordelijkheid ten opzichte van de medemens en hun omgeving: dat is waarvoor Open Vld en ik staan. In onze Toekomstverklaring en programmacongres dragen wij deze visie uit, niet alleen in Vlaanderen maar ook Europa. Het liberalisme wil de Verlichtingsidealen verder uitdragen en universeel van toepassing maken. We willen het recht op zelfbeschikking en de keuzevrijheid vergroten, zeker voor de miljoenen mensen in de wereld die daar alleen maar van kunnen dromen. Daarvoor moeten we de EU en de globalisering niet bestrijden, maar juist omarmen. We hebben nood aan veranderingen tegen alle conservatieve krachten in die vasthouden aan onmenselijke tradities en gewoontes, aan verworven rechten, aan het egoïstische ‘eigen volk eerst’ principe. We moeten ons niet opsluiten achter grenzen, maar ze openbreken. Ons klein Vlaanderen was het succesvolst op ogenblikken dat het met een open geest en blik naar de wereld keek en niet bevreesd was voor andere invloeden of uitdagingen. Het liberalisme stelt de mens centraal. Niet de winst, niet de economie, niet de markt, niet de staat, niet een collectief, niet een geloof, niet een volk, niet een ras. Alleen de mens en zijn vrijheid om zelf keuzes te maken. We hebben nood aan meer liberalisme.

Een federale kieskring is een essentiële bouwsteen van een federale staat

24 February 2014

Een federale kieskring is een essentiële bouwsteen van een federale staat die de band tussen burgers en bestuur versterkt, schrijft Patrick Dewael (Open VLD). ‘Wat meteen verklaart waarom nationalisten tegen zijn.’

Vandaag gaat de bijzondere parlementaire commissie over de federale kieskring van start, zoals afgesproken in het regeerakkoord. Open VLD is alvast voorstander, zoals bevestigd tijdens het Toekomstcongres in november 2013. Niet uit overdreven vernieuwingsdrang, niet uit vervlogen Belgicisme, maar vanuit een vast geloof dat een federale kieskring een essentiële bouwsteen is van een federale staat die de band tussen burgers en bestuur versterkt. Wat meteen verklaart waarom nationalisten tegen zijn.

Er vloeide al veel academische inkt over de federale kieskring. Nu wordt het tijd dat ook de politieke partijen kleur bekennen. Velen onder hen twijfelen nog, durven zich niet uitspreken, of zijn om evidente redenen tegen. Maar opvallend: de jongerenvoorzitters van de partijen van de institutionele meerderheid zijn pro, behalve die van de PS. Premier ElioDi Rupo (PS) heeft zich wel geout als voorstander en hij is zeker niet de enige. Wat ons betreft, is de vraag niet of de kieskring er komt, dan wel wanneer en hoe. Daarom sturen we in de commissie aan op een open debat, niet alleen over het principe maar ook over de modaliteiten. Alleen zo kunnen we de theorie overstijgen en de politieke haalbaarheid in de praktijk toetsen.

Want voor ons is de federale kieskring geen electorale gimmick. Die stoelt op een fundamenteel democratisch principe, namelijk dat een regering haar legitimiteit moet verwerven op basis van een electoraal mandaat dat in het hele land is verworven. Vandaag presenteren partijen zich enkel in één landsdeel en voeren op basis daarvan onderhandelingen voor de federale regering. Zonder dat kiezers achteraf de kans krijgen om politici van de andere kant van de taalgrens af te straffen of te belonen voor het gevoerde beleid. Met een dergelijke ‘confederale’ methodiek van verkiezingen bestendig je natuurlijk het beeld van een land bestaande uit twee democratieën met één ‘ondemocratische’ regering aan het hoofd.

Het installeren of – zo u wil – herstellen van de federale democratie biedt de oplossing. Het Belgische beleid zal gebaseerd zijn op echte politieke en ideologische meerderheden. Dat is niet alleen nodig maar ook logisch, want het federale beleid geldt voor heel het land. Als de regering lineaire lastenverlagingen doorvoert, doet ze dat ook voor een Luikse zelfstandige. En Brusselaars kunnen even goed als hun landgenoten uit Antwerpen het efficiënte asiel- en migratiebeleid van Maggie De Block appreciëren.

Wanneer federale politici verantwoording afleggen aan alle Belgen, stopt ook automatisch het storende populistische opbod en schijngevecht tussen partijen aan weerskanten van de taalgrens. Het is goed mogelijk dat de economisch programma’s van PS en N-VA radicaal van elkaar verschillen, maar wat men ook mag beweren: het is vandaag onmogelijk om een democratische keuze tussen de twee te maken.

Dat moet veranderen. Een federale kieskring dwingt Nederlands- en Franstaligen met mekaar in dialoog te treden in plaats van modder te gooien. Niet de perceptie of het conflict, maar de inhoud en samenwerking zijn dan van tel. Open VLD en MR pleiten bijvoorbeeld samen voor een fiscale hervorming. De kiezer weet bijgevolg waar hij aan toe is, mocht de liberale familie mee besturen na 25 mei. Meningen mogen en moeten natuurlijk botsen in een democratie. Groepen met uiteenlopende belangen mogen zich hard opstellen in onderhandelingen. Maar met de huidige vervalsing van het debat en de politieke strijd, heeft de burger noch de democratie helemaal niets te winnen.

Een federale kieskring is in feite onmisbaar voor een federale entiteit, als een dak op een huis. Het één kan niet zonder het ander – of je moet er op uit zijn het ander langzaam maar zeker te vernietigen. Wij stellen voor deze logica niet alleen toe te passen voor de Kamer, maar ook voor het Europees parlement. Concreet verkiezen we dan de 21 Belgische leden in heel het land. Zo versterken we het gewicht van onze partijen in hun respectieve Europese fracties en gaat het debat over Europa en ideologie, niet over een interne kiesstrijd. Slechts vijf andere, vooral grotere Europese landen delen hun land op in meerdere kieskringen. Het centralistische Frankrijk bijvoorbeeld. Maar in het federale Duitsland heeft elke partij één kandidatenlijst met 96 kandidaten voor heel de bondsrepubliek. De volgende stap is de Europese kieskring, waarbij kandidaten zich over heel Europa verkiesbaar kunnen stellen. Dan kan een Brit, Belg of Bulgaar écht kiezen tussen Martin Schulz en Guy Verhofstadt als voorzitter van de Commissie.

In de aanloop van 25 mei draait alles om de vraag welke toekomst we willen voor onze samenleving, voor ons land, voor Europa. Wij willen af van het idee dat er politici over onze hoofden heen beslissingen kunnen nemen. Elio Di Rupo is een Waal, José Manuel Barroso is een Portugees; er is geen manier als Vlaming om hen rechtstreeks te beoordelen. Een federale kieskring creëert opnieuw een band tussen burger en bestuur, ze dicht de democratische kloof. En verkiezingen gaan opnieuw over politieke en ideologische keuzes, niet over (sub)nationale belangen. Daar tekent een liberale partij voor. Vanzelfsprekend.