Toespraak LVV: “Samen leven na 22 maart”

1 June 2016

Op 31 mei was Patrick Dewael te gast bij het Liberaal Vlaams Verbond voor een lezing, “Samen leven na 22 maart”. Dewael gaf uitleg bij zijn initiatief in de Kamercommissie Grondwet om de fundamentele waarden zoals de scheiding van geloof en staat beter te verankeren in onze Grondwet. De voorzitter van de onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart ging ook in op de werkzaamheden van deze commissie.

Hier kan u de toespraak integraal herlezen:

Dames en heren,
Het voor mij een eer en genoegen om hier voor het Liberaal Vlaams Verbond het woord te mogen voeren. Het onderwerp van deze lezing is ‘Samen leven na 22 maart’. Maar in de brief die jullie ontvingen ter uitnodiging voor deze avond, wordt heel wat meer aangekondigd. Zo werd verwezen naar de parlementaire onderzoekscommissie naar de aanslagen van 22 maart 2016 en haar activiteiten. U zult het mij niet kwalijk nemen dat ik over de werking van deze commissie vanavond minder zal vertellen. Ik mag en wil als voorzitter geen publieke verklaringen afleggen of conclusies trekken die de werking van de commissie zouden kunnen bemoeilijken. Uit respect voor het parlement, maar ook om botsingen met het gerechtelijk onderzoek ter zake te vermijden, wil ik eerst alle zittingen en beraadslagingen afwachten alvorens hierover uitgebreid te communiceren. Daarbij heb ik mij als voorzitter van deze commissie voorgehouden om dit onderzoek over de partijgrenzen heen te tillen zodat we in onze aanbevelingen kunnen komen tot een zo breed mogelijk maatschappelijk draagvlak.

Wel wil ik nog eens duidelijk de vier belangrijke doelstellingen van deze commissie in herinnering brengen. In de eerste plaats willen we een reconstructie maken van alle feiten en gebeurtenissen die hebben geleid tot aanslagen. In de tweede plaats gaan we de verleende steun aan de slachtoffers bekijken. In de derde plaats zullen we nagaan of de bevoegde diensten op adequate wijze werkten en of we de veiligheidsprocedures in geval van dergelijke drama’s efficiënter kunnen maken. In de vierde plaats, en dat is natuurlijk het belangrijkste, zullen we onderzoeken wat de onderliggende oorzaken zijn van het radicalisme in ons land en zullen we nagaan wat de gevolgen zijn van het integratiebeleid dat tot nu toe gevoerd werd. Het onderzoek naar de oorzaken van het radicalisme is van cruciaal belang omdat hier de sleutel ligt om op structurele wijze dergelijke aanslagen in de toekomst zoveel als mogelijk proberen te verhinderen.

Ik zeg dus niet dat we met een aantal aanbevelingen van de commissie en de implementatie ervan in onze wetgeving er zeker kunnen van zijn dat er in de toekomst geen aanslagen meer zullen gepleegd worden. Maar we moeten er wel alles aan doen om de beweegredenen van de daders te doorgronden, zodat we tijdig kunnen ingrijpen en onze samenleving maximaal kunnen beschermen. Wat zijn de beweegredenen van die doorgaans jonge mensen die bereid zijn zichzelf op te blazen om zoveel mogelijk onschuldige medemensen te doden? En vooral: hoe kunnen we andere jongeren die mogelijks vatbaar zijn voor die beweegredenen ervan weerhouden om dezelfde weg in te slaan en op hun beurt aanslagen te plegen? Anders gezegd: wat moeten we doen om ervoor te zorgen dat mensen de rechtstaat respecteren en zich niet laten leiden tot totalitaire denkbeelden die vaak van godsdienstige aard zijn.
Het antwoord op die laatste vraag is veelzijdig. In de eerste plaats is het duidelijk dat we als samenleving veel meer zullen moeten investeren in de integratie en inburgering van mensen met andere levensbeschouwelijke overtuigingen in onze maatschappij. De vraag is al lang niet meer of we die mensen moeten integreren en inburgeren, maar wel hoe we dat moeten doen. Er zijn een hele reeks problemen die al kennen en die we moeten durven benoemen en aanpakken. Ik denk aan de hoge werkloosheid, de slechte huisvesting, het gebrek aan taalvaardigheid, de dramatische schooluitval, de onaanvaardbare discriminatie en het latente racisme die ervoor zorgen dat nogal wat mensen, vooral jongeren, zich uitgesloten voelen uit onze samenleving. We zullen daaraan moeten remediëren met een beter beleid inzake huisvesting, aangepast onderwijs, doelgerichte campagnes en een harder beleid tegen die vormen van discriminatie en racisme.

Maar tegelijk zullen we die mensen, vooral de jongeren, moeten aanleren – en dat is ook onze liberale houding – om zelf hun verantwoordelijkheid te nemen en de kansen die ze krijgen op het vlak van het aanleren van de taal, van onderwijs en van tewerkstelling met twee handen te grijpen. Dan mogen we van hen verwachten dat ze aanpassen aan de onderwijs- en arbeidsvoorwaarden die hier gelden en die voor iedereen gelden. Dan moeten ze de fundamentele principes waarop onze samenleving gestoeld is, en die in onze wetten vervat zitten, aanvaarden en mee verdedigen.

Zo kom ik tot het tweede punt dat in de brief ter uitnodiging van deze avond vermeld staat, namelijk de werkzaamheden van de Commissie Grondwet die de voorbije weken en maanden heeft nagedacht over de inhoud van onze grondwet, over de relevantie en impact van een aantal grondwettelijke bepalingen, maar ook over de mogelijke tekortkomingen in deze basistekst van onze democratische rechtsstaat. Dat is nodig want ons land verandert in snel tempo. De afgelopen twee jaren zijn op dat vlak ook een kantelmoment geweest voor de bewustwording dat onze maatschappij nood heeft aan een diepgaand debat over wat ons bindt in dit land: over waar onze rechten en vrijheden op gebaseerd zijn, over de rol van de democratie, over de rechtsstaat. Dat zijn de basispijlers waar we in België en Europa van vertrekken. We hebben opnieuw kunnen kennismaken met terrorisme en extremisme die deze hoekstenen uitdrukkelijk verwerpen en met geweld en haat ze trachten te ondermijnen. Terecht heeft onze regering in reactie op deze aanslagen gewezen op het belang om onze ideologische of filosofische verschillen te kunnen overstijgen, maar om ons te scharen achter een aantal universele waarden.

Tegelijkertijd werden we sinds 2015 geconfronteerd met een asiel- en migratiecrisis waarbij we, in het kader van onze internationale en humanitaire verplichtingen, onze verantwoordelijkheid opnemen op het vlak van opvang en bescherming. Deze migratiegolven zijn uiteraard ook niet nieuw, maar de omvang en het effect hebben ons des te meer met de neus op de feiten gedrukt dat onze samenleving steeds meer divers geworden is. België is een open en internationaal land, waarbij door de Europese integratie, de komst van zogenaamde gastarbeiders uit het verleden, vormen van gezinshereniging en andere migratie onze maatschappij heel wat nieuwkomers telt. Zij brachten niet alleen hun talenten mee, maar ook hun eigen identiteit die mede kan worden gevormd door andere culturen, talen of levensbeschouwelijke opvattingen. Die diversiteit is en blijft een rijkdom.
Ik wil de zaken hier vanavond niet verbloemen of enkel in abstracte termen spreken, maar ook vertrekken vanuit feiten. Door de toenemende migratie leven er naast vooral christenen en ongelovigen, momenteel zowat 750.000 moslims in ons land, ongeveer 7 procent van de gehele bevolking. Dat is een realiteit vandaag. Let wel: het is makkelijk om een bepaalde godsdienst of een andere cultuur zelf als een probleem te zien. Ik zie dat niet zo en ik wil dat ook niet als enig uitgangspunt nemen voor mijn toespraak vanavond. Veel mensen putten uit hun cultuur of levensbeschouwing bepaalde kracht en hiermee hun identiteit vormgeven. Maar ook een godsdienst, en zeker de uitwassen, daarvan zijn niet vrij van kritiek.

Het samenleven van godsdiensten zorgt soms voor spanningen. Een ongebreideld en radicaal doorgedreven vorm van fundamentalisme is zelfs gevaarlijk. Denk aan de problemen rond de radicale organisatie Sharia4Belgium van Fouad Belkacem, de ronseling van jonge moslims om voor de Islamitische Staat te gaan vechten in Syrië, en de diverse linken tussen radicale moslims die in ons land wonen met de terreuraanvallen in Parijs en Brussel. Daarnaast blijven er problemen en discussies bestaan rond de financiering van een aantal moskees en andere religieus getinte verenigingen in ons land. Denk aan de Grote Moskee in Brussel die gefinancierd wordt door het salafistische Saoedi-Arabië. Verder is er ook het gebrek aan opleiding van de imams en de toenemende impact van jihadistische internetsites op jongeren. Zo merken we binnen radicale moslimgroepen een toenemend antisemitisme met als dieptepunt in ons land, de moord op vier mensen in het Joods Museum van België in mei 2014. Een extremistische interpretatie van de Islam heeft hier geleid tot een cultuur van geweld en misprijzen voor het menselijk leven.
En dan heb ik het nog niet gehad over toenemende spanningen rond de vrijheid van meningsuiting die regelmatig opduiken naar aanleiding van specifieke voorvallen, denk aan de fatwa tegen de Brits-Indische schrijver Salman Rushdie, de moord op Theo Van Gogh, de gewelddadige protesten tegen de Deense cartoons en de moordaanslagen op de redactieleden van het satirische weekblad Charlie Hebdo. Anders gezegd: nogal wat gelovigen vinden dat hun God, Allah, maar ook andere belangrijke religieuze figuren en zelfs de teksten in de heilige boeken zoals de Bijbel en de Koran, geen voorwerp mogen zijn van spot of satire. Zij pleiten dan ook voor het invoeren van blasfemie-wetten waardoor het in de toekomst verboden zou worden om nog langer religies te ‘belasteren’.

Natuurlijk zijn terroristen maar een zeer kleine minderheid in de moslimgemeenschap en worden hun daden in grote meerderheid verworpen. Maar dat betekent daarom niet dat we daarom niet meer kunnen stilstaan bij andere fenomenen die vragen oproepen. Zo worden we ook regelmatig geconfronteerd met een ronduit negatieve houding van sommige moslimmannen ten aanzien van vrouwen zoals duidelijk werd in de tv-documentaire Femmes de la rue van Sofie Peeters, een ronduit vijandige houding ten aanzien van homoseksuelen die binnen islamitische kringen vaak beledigd en zelfs regelrecht bedreigd worden, en zelfs een afwijzende houding ten aanzien van lessen over de Holocaust en de evolutietheorie van Darwin in het onderwijs.

Steeds als er in de maatschappij problemen opduiken met een religieuze achtergrond, roepen diverse politieke partijen op tot een fellere verdediging van onze waarden en normen, en dat we niet mogen toegeven aan religieus obscurantisme. Het gaat immers om het beschermen van de Verlichtingswaarden waar onze voorouders zo hard voor gevochten hebben zoals, en ik vernoem hier de belangrijkste, de vrijheid van meningsuiting, de gelijkwaardigheid van elke mens (en van man en vrouw in het bijzonder), het recht op zelfbeschikking en de scheiding van geloof en staat. Dat zijn volgens mij de fundamentele grondrechten waarop we geen millimeter mogen toegeven. Dat was ook de reden waarom ik tijdens de kerstvakantie een pleidooi hield voor een vorm van laïcisme, een neutrale overheid en de grondwettelijke verankering van het principe van de scheiding van geloof en staat in de grondwet, iets wat vandaag niet het geval is.

Daarom heb ik in januari een brief geschreven aan de andere leden van de Commissie Grondwet van de Kamer om een debat te starten. Een ‘inleidend verslag op parlementair initiatief’ zoals dat officieel heet. Het grote voordeel is dat zo’n verslag start vanuit een aantal vragen en dat het dus niet vertrekt vanuit een bepaalde positie. Ik had immers evengoed een resolutie kunnen indienen in de Kamer waar ik tot in de details zou toelichten wat mijn fractie voorstelt. Dat zou wellicht tot applaus bij de blauwe achterban hebben geleid, maar zou in de Kamer onmiddellijk naar de parlementaire archieven worden verwezen. Ik wilde op een andere manier werken: namelijk alle fracties uitnodigen om mee te werken aan dit debat, om naar experten te luisteren, om met elkaar te discussiëren, kijken waar er punten van overeenstemming zitten, en waar de knelpunten.
Ik heb de brief geschreven vanuit de vaststelling dat de grondwaarden van onze samenleving weliswaar wel impliciet in onze Grondwet vervat zitten, maar onvoldoende herkenbaar en duidelijk zijn voor alle medeburgers. We zeggen altijd dat die grondwaarden universeel en seculier zijn, opdat iedereen er zich in zou kunnen herkennen, maar dan moeten we dat ook zo actief durven uitdragen. We mogen dus ook niet aarzelen deze expliciet te benoemen in onze meeste fundamentele wet, de Grondwet, van waaruit uiteindelijk al onze wetgeving is afgeleid. Laat ons niet vergeten dat de Grondwet niet zomaar een reglement van inwendige orde is over de politieke werking van een staat. Het moet een echt charter, een handvest met krijtlijnen en spelregels zijn, waarin iedere burger kan terugvinden waarvoor we staan en hoe we met elkaar omgaan.

Want waar gaat het dan om? Het gaat dan bijvoorbeeld in essentie om het harmonieus samenleven van christenen, moslims, Joden, andersgelovigen en ongelovigen te bevorderen. En dat kan alleen als iedereen, tot welk geloof men zich ook bekent, de grondwet en onze wetten boven religieuze voorschriften en bevelen plaatst. Dat kan alleen als er een heuse scheiding van geloof en staat komt. Waarbij het iedereen vrij staat te geloven wat hij of zij wil, voor zover men de vrijheid van anderen niet in het gedrang brengt, en waarbij de staat neutraal staat tegenover religies en geen enkele godsdienst bevoordeelt ten aanzien van een andere religie of ten aanzien van ongelovigen. Waar het op aankomt is het trekken van duidelijke grenzen tussen geloof en staat. Waardoor niemand een mening kan verbieden op basis van een religieus verbod. Waardoor niemand een vrouw mag onderdrukken op basis van een religieuze regel. Waardoor elke mens vrij is en niet belemmert kan worden door een religieus gebod. Wat men privé denkt en doet – voor zover men de vrijheid van een ander niet schaadt – is ieders eigen keuze en daar mag de staat zich niet mee bemoeien. Maar wat de staat via de grondwet en de wetten afspreekt – voor zover het geen persoonlijk geloof verhindert – mag niet door burgers opzij worden geschoven of overtreden.

In de Commissie Grondwet hebben we ongeveer een twintigtal filosofen en grondwetspecialisten aan het woord gehoord, de ene al wat interessanter dan de andere. Ze hebben in grote mate erkend dat ons land een ambigue houding aanneemt ten aanzien van de scheiding tussen geloof en staat. Sommigen hebben ons gezegd dat het een zeer moeilijk en complex debat, en dat het daarom zelfs beter zou zijn om het niet te proberen te trancheren. Maar als politicus kan ik me daarmee niet tevreden stellen. Ik heb nog straffere dingen gelezen. Zo was ik toch wel verrast om te lezen dat ons initiatief voor een inleidend verslag zou zijn aangestuurd door de Vrijmetselarij in één of andere agenda om het geloof uit onze samenleving te bannen. Dat doet me denken aan de vele verhalen die naar boven kwamen over het Vaticaan dat destijds heeft geprobeerd om de christelijke traditie in de Europese Grondwet te krijgen. Nu: over complottheorieën kun je leuke boeken schrijven, maar die behoren vaak tot de afdeling fictie. Het verslag van onze commissie zal daar alvast niet toe behoren.

Uit alle hoorzittingen zijn er volgens een aantal conclusies te trekken te trekken. Ten eerste moeten we meer aandacht hebben voor de waarde van onze Grondwet zelf. Ten tweede moeten we onze grondwaarden in de Grondwet verankeren. Daarbij heeft de idee van een zogenaamde preambule – een inleiding tot de Grondwet – een opgang gemaakt. Tot slot moeten we ook nadenken hoe we onze bevolking bij de opmaak van onze Grondwet kunnen betrekken en hoe we het debat dat wordt gevoerd kunnen verderzetten en concluderen.

Het debat dat we nu voeren in de Commissie Grondwet is in zekere zin uniek en baanbrekend. De herziening van de Grondwet is jammer in het verleden genoeg altijd enkel maar een synoniem geweest van staatshervormingen: discussies over instellingen en structuren. Niet over mensen. Het is goed geweest om eens een ruimer debat te kunnen voeren over onze Grondwet: over de plaats van onze waarden, over het karakter van onze staat, over de manier waarop de staat met haar burgers omgaat, hoe we met elkaar omgaan in een diverse samenleving.

Ik denk dat we die ‘herontdekking’ van de Grondwet moeten verderzetten. In tijden waar het bon ton is om te spreken over ‘failed state’ of ‘failed nation’, kan het geen kwaad om nog eens één van onze belangrijke democratische instituties onder de aandacht te brengen, namelijk de Grondwet. Natuurlijk zal niemand gelukkiger worden omdat er een Grondwet in het Staatsblad staat, maar een staat heeft wel een sterke basis nodig. We hebben richtlijnen nodig die ons in concrete situaties fundamentele principes aanreiken, zoals de gelijkheid van man en vrouw of de onpartijdigheid van de staat. Dat vermijdt discussies. Dat maakt het mogelijk om een vuist te maken tegen totalitaire of extremistische tendensen die onze democratie ondermijnen. Dat laat toe om in ons onderwijs duidelijk te maken wat centraal staat.

Ik ondersteun dus ook de ideeën die door de grondwetspecialisten in de commissie zijn verkondigd om te pleiten voor een sterkere constitutionele cultuur. Dat betekent dat we een gedeeld besef hebben als burgers dat de Grondwet de bron is van onze soevereiniteit, met andere woorden het besef dat wij ons in dit land zelf besturen en dus niet afhankelijk zijn van beslissingen die buiten of boven ons worden genomen. Ook als politici en ambtenaren zijn we aan die Grondwet gebonden: we respecteren de democratische spelregels. Maar ook die Grondwet zelf is geen document dat van bovenaf is opgelegd. Het is een document van, voor en met het volk. Ook daaraan ontleent de Grondwet haar legitimiteit. Enkel zo kan de Grondwet ook een verbindende kracht hebben: tussen burgers met een verschillende overtuiging, maar die wel een aantal universele grondwaarden delen.

Dat kan op veel manieren. Ik doe maar een kleine symbolische suggestie. In veel landen, zoals de Verenigde Staten of Duitsland, kent men een Dag van de Grondwet. Dat is landen waar de Grondwet een centrale plaats inneemt in het democratische bestel. Zou het niet interessant zijn om ook in België minstens één dag per jaar stil te staan bij onze Grondwet, bv. op 7 februari, de dag dat de Grondwet in 1831 werd afgekondigd? Onze feestdagen, de Nationale Feestdag of het Feest van de Dynastie, verwijzen nu naar onze monarchie. Alle respect voor onze Koning, maar zou het dan ook niet logisch zijn om ook een dag te kiezen waarop we de wet vieren die ons alles verbindt als burgers? Die onze burgerlijke rechten en vrijheden consacreert? Die de werking van onze democratische instellingen vastlegt?

Let op: ik pleit dus niet voor een Belgische feestdag met veel vlaggenvertoon en volksliederen. Integendeel. Ik denk vooral aan een dag waarop we kritisch stilstaan bij het verleden, heden en toekomst van onze Grondwet en fundamentele rechten en vrijheden. Een dag die bijvoorbeeld scholen, lokale besturen, verenigingen,… kunnen aangrijpen om thema’s als democratie, samenleven in diversiteit, mensen- en burgerrechten,… aan te kaarten in debatten, projecten, enzovoort. Een dag waarop we ons burgerschap vieren. Dat zou bijvoorbeeld ook een dag kunnen zijn waarop gemeentebesturen nieuwkomers of nieuwe Belgen uitnodigen als symbolisch onthaalmoment.

Zowel de filosofen als de grondwetspecialisten hebben ons verschillende inzichten gegeven over wat er vandaag in onze Grondwet staat, maar vooral ook wat er niet in de Grondwet staat. Ik denk niet dat het de taak is van politici om aan theologie of moraalwetenschappen te doen en ultieme antwoorden aan te reiken over de plaats van geloof en levensbeschouwing in onze samenleving. Onze ambitie moet vooral zijn om werkbare principes aan te reiken die het samenleven in diversiteit mogelijk maken. Ik denk dat een Grondwet die hierover geen discussie of vaagheid laat bestaan daar een belangrijk onderdeel van is.
Daarom denken ik dat onze grondwet ook nood heeft aan een krachtige en inspirerende inleiding. Die zogenaamde preambule moet dienen als een echte uitnodiging tot geëngageerd burgerschap en precies omschrijven op welke fundamentele principes we onze staat hebben gebouwd en die door iedereen in ons land moeten aanvaard en gerespecteerd worden. Een preambule zal natuurlijk niet alle maatschappelijke problemen van vandaag of morgen oplossen. Maar ze zal wel bijdragen tot een bewustzijn dat ons gedeeld burgerschap waardevol is en iets om trots over te zijn. Het zal in ons onderwijs, bij inburgering, in onze instellingen, duidelijker zijn waar we als staat voor staan. Het zal ons als burgers en als open samenleving sterker maken. Uiteindelijk zijn we allemaal zelf ook ‘nieuwkomers’ wanneer we geboren worden en opgroeien in ons land.

Het is toch wel paradoxaal dat we binnenkort een zogenaamde ‘Nieuwkomersverklaring’ gaan voorleggen aan nieuwkomers, maar dat de tekst van die verklaring zal worden vastgesteld in de bijlage van een koninklijk besluit. Iets dat er dus ergens als annex aanhangt en door de volgende staatssecretaris met één pennentrek kan worden aangepast. Dat is toch wel zeer weinig respect voor onze fundamentele grondwaarden. Als we grondwaarden willen verankeren, dan verdienen die een centrale plaats in onze Grondwet. De grote meerderheid van de Europese landen heeft een preambule. Dat is op zich niet de reden, maar het toont aan dat dit geen uitzondering is.

Is een preambule voldoende? Ik denk het niet. Ik denk dat we naar een én-én-oefening moeten gaan. We moeten ook in de Grondwet zelf aanpassingen doen en verduidelijkingen aanbrengen. Een van de grondwetspecialisten zei dat de tekst van de Grondwet in haar uitwerking ‘erbarmelijk’ is, namelijk dat ze te veel verwarring schept of te veel ruimte aan de wetgever geeft om af te wijken. Dat is zeker zo op het vlak van de scheiding tussen geloof het staat. Daarom zal het nadrukkelijker opnemen van principes zoals de neutraliteit van de overheid en de scheiding van geloof en staat een einde maken aan heel wat zinloze discussies over de aard van onze samenleving en over de concrete toepassing ervan. We leven in een seculier land en daar gelden seculiere regels. En die bepalen onder meer dat niemand wegens zijn persoonlijke overtuiging gediscrimineerd of benadeeld mag worden, dat het iedereen vrij staat om in iets te geloven of niet te geloven, en dat niemand gedwongen kan worden te handelen onder druk van een groep.
Volgens de grondwetspecialisten die we hebben beluisterd is neutraliteit van de overheid vandaag al een constitutioneel principe dat al impliciet in onze Grondwet zit. Ik denk dat er dus draagvlak kan worden gevonden om dit ook expliciet op te nemen. We moeten dat oordeelkundig doen met respect voor onze eigen grondwettelijke traditie. Ik ben geen voorstander om plots te gaan voor een militante vorm van laïciteit à la française. Maar staat het haaks op onze grondwaarden om te verwachten dat onze overheid zich onpartijdig opstelt en geen voorkeur laat blijken voor een bepaalde levensbeschouwing? Laat ons dat debat met open vizier voeren en beslechten.

In een seculiere staat is het ook belangrijk dat de belangrijkste fundamentele waarden breed gedragen en gevolgd worden, en derhalve ook in een vroeg stadium worden aangeleerd aan onze kinderen. In dat verband lijkt me het voorstel van professor Patrick Loobuyck met betrekking tot het vak LEF een interessante piste. Hij stelt voor om in het lager en middelbaar onderwijs de vakken godsdienst en zedenleer te vervangen door een vak Levensbeschouwing, Ethiek en Filosofie waarbij alle leerlingen kennis zouden kunnen nemen van de essentiële grondslagen van onze samenleving. Want hoe gaat het er nu aan toe? Gedurende twaalf jaar trekken wij de leerlingen in klassen uit elkaar om les te volgen in één specifieke religie of in zedenleer. Het is een vorm van feitelijke segregatie. Het lijkt me beter om die kinderen gedurende twaalf jaar bij elkaar te houden zodat ze samen kennis nemen van de diversiteit van religieuze en filosofische stromingen, en dit op een niet-dogmatische manier, zodat ze later, eenmaal volwassen, zelf hun keuzes kunnen maken. En zodat ze allen samen kennis nemen van liberale grondwaarden zoals de vrijheid van meningsuiting, de scheiding van geloof en staat, de gelijkwaardigheid van man en vrouw en het recht op zelfbeschikking.

Daarom is de discussie die we in de Commissie Grondwet voeren vandaag niet vrijblijvend. Het is duidelijk dat we iets in gang hebben gezet. En dat proces is minstens even interessant als het resultaat dat we willen bereiken. Ik heb in de Commissie daarom ook opgeroepen om het debat niet enkel tussen de muren van het parlement te voeren en snel-snel een rapport af te leveren. We moeten dit debat verder opentrekken naar de ruimere samenleving. Dat zou de eerste keer zijn voor een grondwetsherziening. Een groot manco van de procedure tot herziening van de Grondwet is dat de herzieningsverklaring helemaal op het einde van de legislatuur moet worden opgesteld en dus in een zeer beladen politieke sfeer tot stand komt. Dat heeft dan natuurlijk ook te maken met het communautaire klimaat. Het zou veel beter zijn mocht er tijdens de legislatuur al een consensus kunnen groeien om een aantal artikelen voor herziening vatbaar te verklaren en dat die dan zonder veel debat in de verklaring kunnen worden opgenomen met oog op een debat ten gronde in de volgende legislatuur.

Ik voel immers wel degelijk aan dat de discussie ook in Dorpstraat leeft. Natuurlijk mogen we ons niet doen opjutten door de tijdsgeest. Dat ben ik ook niet van plan. Grondwaarden moet je inderdaad niet te grabbel gooien aan een toevallige meerderheid, of door een willekeurig burgerpanel laten beslissen. Dat is evident. Maar als we een constitutionele cultuur willen ontwikkelen, dan moeten we af en toe met dit debat de stolp van dit parlement durven verlaten. Ik denk dat we ons zouden kunnen beraden over een manier om bijvoorbeeld tussen nu en 2019 een vorm van burgerparticipatie te ontwikkelen. Met realistische verwachtingen en graag zo dicht mogelijk bij de burger. Waar ook jongeren en nieuwkomers een rol krijgen. Via traditionele en sociale media. Een breed debat over onze grondwaarden en zal onze samenleving meer weerbaar maken, waarvan de vernieuwde Grondwet de uiteindelijke emanatie zal zijn.

Dames en heren, Beste vrienden,
Een herontdekking van de Grondwet en de grondwettelijke verankering van het principe van de scheiding van geloof en staat zou betekenen dat geen enkel beleid kan gevoerd worden dat gebaseerd is op een religieuze of levensbeschouwelijke grondslag. Dus geen beleid gebaseerd op christelijke, Joodse, islamitische of atheïstische principes. U denkt misschien dat dit in de praktijk toch niet het geval is, maar dan vergist u zich. In Engeland bestaan er shariarechtbanken die oordelen over het personen- en familierecht. De scheiding van geloof en staat moet de democratische sokkel van onze multireligieuze samenleving vormen. Dat is de reden waarom ik in het parlement zo hardnekkig vecht voor een grondwet die het seculiere karakter van onze samenleving niet alleen bevestigt maar ook promoot. Liberalen stonden reeds bij de oprichting van ons land in 1830 mee aan de grondslag van een grondwet die voorrang zou krijgen op het woord van God. Laten we dat nu, 186 jaar later, opnieuw bevestigen.

Comments are closed.