Toespraak bij opening nieuwe expo in de Dossinkazerne, 2 april 2015

3 April 2015

Op 2 april opende in de Mechelse Dossinkazerne een expositie over Belgen in Duitse gevangenenkampen. Patrick Dewael gaf een toespraak over het belang van de herinneringscultuur en vertelde het verhaal van zijn grootvader Arthur Vanderpoorten die exact 70 jaar geleden omkwam in een Duits concentratiekamp.

Dames en heren, Het is voor mij een eer om hier vandaag in de Kazerne Dossin de tentoonstelling Bevrijding! Belgen in Duitse kampen te mogen openen. De gelegenheid voor deze tentoonstelling is genoegzaam bekend. Exact zeventig jaar geleden was het einde aan de Tweede Wereldoorlog nabij. Het naziregime ging ten onder en de geallieerden trokken tot diep in Duitsland om de laatste troepen van Hitler te verslaan en tot overgave te dwingen. Stilaan werd ook duidelijk hoe erg de nazi’s Joden, zigeuners, verzetsmensen en politieke gevangenen uit het Derde Rijk en de bezette gebieden hadden behandeld. Eén na één werden de concentratie- en vernietigingskampen bevrijd. Ze toonden in welke gruwelijke en mensonterende omstandigheden deze mensen gevangen werden gehouden of werden vermoord. Op 27 januari 1945 werd Auschwitz bevrijd door de Russen, op 14 februari Gross Rosen door het Rode Leger, op 11 april Buchenwald en het nabijgelegen Mittelbau Dora door de Amerikanen, op 15 april Bergen-Belsen door de Engelsen, op 22 april Sachsenhausen door het Rode Leger, op 29 april Dachau door de Amerikanen, op 30 april Ravensbruck door de Russen, op 1 mei Flossenburg door de Amerikanen, op 5 mei Mauthausen door de Amerikanen en op 8 mei werd Theresienstadt bevrijd door het Rode Leger.

 

Uiteraard wist men al dat deze gevangenen meedogenloos werden aangepakt. Dat hadden onze bevrijders en de lokale inwoners al vastgesteld met de bevrijding van kampen op hun eigen grondgebied zoals het kamp Drancy bij Parijs op in augustus 1944, het Fort van Breendonk bij Antwerpen op 4 september 1944, en het concentratiekamp van Natzweiler in de Vogezen op 23 november 1944. Maar niemand kon zich voorstellen hoe erg het was gesteld in de concentratie- en vernietigingskampen in Polen en in Duitsland zelf. Die gruwel kreeg pas een gezicht toen de Engelsen bij de bevrijding van Bergen-Belsen filmbeelden maakten en die wereldwijd lieten uitzenden. Vreselijke beelden van stapels lijken die met tractors in kuilen werden geduwd. Uitgemergelde gezichten en skeletachtige lichamen van diegenen die het overleefd hadden. Tienduizenden onder hen bezweken na de bevrijding nog onder ziektes en ontbering.

 

Weerzinwekkende taferelen die zich ook voordeden in Buchenwald. Een concentratiekamp in het centrum van het Derde Rijk, vlakbij Weimar, gelegen in een bijna idyllische bosrijke omgeving. Ook daar maakte het Amerikaanse leger foto’s beelden van stapels lijken, zwaar ondervoede gevangenen in afschuwelijke barakken, menselijke botten in de crematoria, massa’s verwijderde trouwringen van vermoordde mensen. In Buchenwald kwamen vooral Duitse politieke gevangenen terecht, maar naarmate de oorlog vorderde ook heel wat verzetsmensen en politieke gevangenen uit de bezette gebieden waaronder België. Zij streden in bijzonder moeilijke omstandigheden en legden hun leven in de weegschaal om de Duitse bezetters te bestrijden. In totaal overleefden meer dan 16.000 verzetstrijders en politieke gevangenen uit België de oorlog niet. Die verzetsacties gingen van open rebellie, over het verspreiden van sluikpers en het verzamelen van inlichtingen, tot het organiseren van vluchtlijnen en tenslotte het gewapend verzet. Heel wat weerstanders en politieke opponenten in ons land werden opgepakt en afgevoerd naar Breendonk. In totaal hebben daar 3.600 mensen gevangen gezeten. De helft overleefde de oorlog niet . In het Fort van Breendonk werden de verzetslieden door Duitse en Vlaamse SS’ers gefolterd om hun kameraden te verraden. Diegenen die niet ter plekke vermoord werden, werden afgevoerd naar de concentratiekampen.

 

Een van hen was mijn grootvader, Arthur Vanderpoorten. Omdat zijn persoonlijke geschiedenis zowel het leven van mijn moeder als dat van mijn nicht Marleen Vanderpoorten en mezelf heeft getekend, past het om in te gaan op de gebeurtenissen tijdens zijn laatste levensjaren. Mijn grootvader was een Vlaamsgezinde liberaal die in1939 minister van Openbare Werken werd in de rooms-blauwe regering van Hubert Pierlot. In januari 1940 volgde hij Albert Devèze op als minister van Binnenlandse Zaken. Op 10 mei 1940, nog herstellend van een operatie, woonde hij de zitting van het parlement bij waar de Duitse inval werd veroordeeld. Samen met zijn collega’s Denis, Pierlot en Spaak besloot hij op 25 mei de andere Belgische ministers in Frankrijk te vervoegen, na een dramatische gesprek met koning Leopold III. In Frankrijk was hij als Belgische minister van Binnenlandse Zaken bevoegd voor de opvang en begeleiding van de honderdduizenden Belgische vluchtelingen in dat land. Dat liep echter moeizaam, omdat ook duizenden Fransen op de vlucht waren. Desondanks organiseerde hij er een dienst voor de repatriëring, zodat Belgische gezinnen konden terugkeren. De bezetter liet echter niet toe dat de ministers terugkeerden naar hun thuisland. Na het vertrek van zijn vrouw en kinderen, bleef Arthur dus alleen achter. Hij zou zijn kinderen nooit meer terugzien.

 

Op 11 november 1942 bezetten de Duitsers heel Frankrijk. Het net sloot zich stilaan rond Arthur Vanderpoorten. In januari 1943 werd hij aangehouden. Vermoedelijk was hij betrokken bij vluchtelingennetwerken die hulp boden aan Belgen die via de Pyreneeën naar Engeland wilden vluchten. Hij kwam terecht in een gevangenis voor politieke gevangenen in Frasnes bij Parijs. Daar zag hij voor de laatste keer mijn grootmoeder. Zij stuurde hem nadien nog pakjes van het Rode Kruis op. Op 1 september 1943 werd hij naar Duitsland getransporteerd. Eerst kwam hij terecht in het concentratiekamp van Buchenwald en nadien dat van Oraniënburg-Sachsenhausen, ten noorden van Berlijn. Hij kreeg het nummer 71693 NN. De NN verwees naar Nacht und Nebel, de categorie gevangenen die ter dood veroordeeld werden zonder executie. Zijn familie wist vanaf dan niet langer waar hij verbleef. Toch slaagde mijn grootmoeder erin hem in 1944 te traceren en hem opnieuw een pakje op te sturen. Daarmee verraadde ze wel dat ze wist waar grootvader zich bevond. De Duitsers straften hem daarvoor met een transport naar Natzweiler waar hij in de zoutmijnen zou moeten werken, maar een bombardement op de trein deed het transport terugkeren naar Sachsenhausen.

 

Op 11 februari 1945 werd dat kamp geëvacueerd en kwam mijn grootvader totaal verzwakt toe in zijn eindstation: het concentratiekamp van Bergen-Belsen. Hij leed aan dysenterie. Even knapte hij weer op, maar tegen de tyfus in het kamp was hij niet opgewassen. Na vier dagen hoge koorts stierf hij op 2 april 1945. Twee weken voor de bevrijding van het kamp door de Britten. Een maand voor de capitulatie van de Duitsers. Dag op dag 70 jaar geleden. Karel Jonckheere schreef in het blad Neo-Humanisme een hulde aan mijn grootvader: ‘Daar ligt een mensch die den adem van de bevrijding reeds over zijn verhit gezicht voelt gaan en hij kan niet meer, zijn uur is gekomen, hoe wreed en spijtig.’ Mijn grootvader is een van de miljoenen die de kampen van de nazi’s niet heeft overleefd. De dood van mijn grootvader heeft een grote invloed gehad op mijn grootmoeder, mijn moeder en op mezelf. Ik beschik nog over een brief die mijn grootvader stuurde naar zijn echtgenote waarin hij op een prachtige manier zijn gevoelens vertolkte over zijn hunkering naar de vrijheid en zijn hoop zijn kinderen terug te zien. Mijn moeder had zich intussen in Gent aangesloten bij een verzetsgroep waartoe ook wijlen Karel Poma behoorde. Ze verdeelden vooral sluikpers. Zij was voor de oorlog zo trots op haar vader als ze met hem mocht gaan wandelen in hun geboortestad Lier. Moeder studeerde hard aan de universiteit omdat ze haar vader wou verrassen met goede resultaten. Jarenlang keek ze uit naar dat moment dat er echter nooit gekomen is.

 

Arthur Vanderpoorten was niet meer, maar zijn gedachte aan hem wordt tot op de dag van vandaag binnen onze familie levendig gehouden. Afgelopen zaterdag nog, herdachten we zijn leven en overlijden. Mijn moeder heeft zijn verhaal aan mij en mijn zusters, neven en nichten verteld, ikzelf heb het doorgegeven aan mijn kinderen. En ik heb hen gevraagd om zijn verhaal verder door te geven aan hun kinderen. Volgend jaar plan ik samen met mijn familie een bezoek aan Bergen-Belsen. Deze familiegebeurtenis heeft mij ook beïnvloed in mijn politieke carrière. Een van de eerste keren dat ik over mijn grootvader sprak, was tijdens een Kamerdebat over een oproep tot verzoening van wijlen koning Boudewijn. Ik schaarde mij achter zo’n idee van verzoening.Vergiffenis moet kunnen gegeven worden, maar vergeten, neen dat nooit. In die zin bleef en blijf ik een tegenstander van amnestie. Want het ergste dat zou kunnen gebeuren is dat we de gruwel van 70 jaar geleden zouden vergeten. Het is immers belangrijk dat jongeren van elke nieuwe generatie blijvend geïnformeerd worden over totalitaire ideeën en regimes en hun nefaste gevolgen voor de democratie en de vrijheid. In die zin is het noodzakelijk dat op alle scholen, ook in het technisch en beroepsonderwijs, meer uren geschiedenisles worden gegeven over de vreselijke gebeurtenissen in de eerste helft van de twintigste eeuw in het algemeen en de vernietiging van de Europese Joden in het bijzonder. Wat waren de oorzaken van de opkomst van het nazisme? Vanwaar kwam die fanatieke rassenpolitiek? Welke doelstellingen hadden Hitler en zijn volgelingen voor ogen? En op welke manier hebben ze hun politiek van uitroeiing van zes miljoen Joden en talloze anderen kunnen doorvoeren?

 

Vergeten helpt ons moreel geen stap vooruit. Vergeven is daarentegen een belangrijk gebaar dat morele afkeer combineert met het intomen van wraak. Daardoor wordt de spiraal van geweld doorbroken en kunnen mensen elkaar opnieuw verstaan. Om te kunnen vergeven moet men zich evenwel de feiten herinneren. Herinneringen zijn dus niet alleen nuttig.Ze zijn ook noodzakelijk zodat we beseffen waar we vandaan komen, welke tegenstand we hebben ondervonden. Maar ook, hoe we die te boven zijn gekomen. Herinnering is de eerste vereiste voor ware verzoening en vrede. Zonder herinnering sloegen we elkaar nog steeds de kop in.  We moeten dus ingaan tegen de kracht van het vergeten, tegen de opdeling van mensen in ‘goeden’ en ‘slechten’. Dat kunnen we door geschiedenis te onderwijzen, door boeken, films en documentaires te maken. Maar ook door musea te bouwen en die massaal te bezoeken.

 

Dat heb ik pas goed beseft toen ik in 2001 een bezoek bracht aan de Holocaust Exhibition in het Imperial War Museum in Londen. Ik werd daar rondgeleid door wijlen Natan Ramet, de bezieler van dit museum. Hij gaf mij op een serene, bijna sacrale wijze uitleg bij de foto’s, kaarten en beelden. In de voorlaatste zaal lagen dagboeken, foto’s en voorwerpen van de slachtoffers van het kamp Bergen-Belsen. Daar besefte ik dat ik als kleinzoon, als vader, als politiek verantwoordelijke, als mens de plicht had om de taak van de Laatste Getuigen verder te zetten. Binnen enkele jaren zijn er geen rechtstreekse getuigen van de Holocaust en de nazi-vervolging meer. Het is niet helemaal uitgesloten dat revisionisme en negationisme, maar vooral onwetendheid en onverschilligheid, het collectief geheugen van de mensen zullen aantasten en de herinnering aan vroeger stilaan maar zeker zal uitdoven. Het is om die reden dat ik in 2001 als minister-president van de Vlaamse regering het initiatief heb genomen tot de bouw van dit museum. Samen met mijn nicht Marleen Vanderpoorten, die minister van Onderwijs was. Dat we slaagden in ons opzet en dat dit memoriaal zoveel succes kent, beschouw ik als één van mijn belangrijkste politieke realisaties.

 

In ons land zijn er drie plaatsen die elke scholier, elke burger zou moeten bezoeken, om te begrijpen wat het extreem-nationalisme en het nazisme hebben aangericht: Flanders Fields over de Eerste Wereldoorlog, het Fort van Breendonk over het lot van de politieke gevangenen en verzetslui tijdens de Tweede Wereldoorlog en deze Kazerne Dossin over het lot van de Joden en de zigeuners. Het is toe te juichen dat hier ook tijdelijke tentoonstellingen aan bod komen zoals deze over Buchenwald. Zo kan er dieper worden ingegaan op het leven van de daders en slachtoffers in het kamp, de foltering die de gevangenen er hebben ondergaan en hun uiteindelijke repatriëring. Op 11 april 1945 bevrijdde het derde Amerikaanse leger Buchenwald. 622 Belgische gevangenen bevonden zich op dat moment in dit concentratiekamp. Belgisch journalist Paul  Levy volgde in het voetspoor van het Amerikaanse leger. Enkele dagen later arriveerden grotere Belgische delegaties onder leiding van auditeur-generaal Walter Ganshof Van der Meersch en diens broer François Ganshof, en hoog commissaris voor de repatriëring Paul van Zeeland. De dagen na de bevrijding documenteerden deze Belgische missies in woord en beeld het lot van bevrijde landgenoten. Zo ontstond een chronologisch opgebouwde fotoreeks. Het is deze fotoreeks die hier nu in de Kazerne Dossin wordt getoond. En dat verheugt mij. Want met het wegvallen van de laatste getuigen is het gevaar groot dat we datgene wat ooit gebeurde in de vergeethoek geraakt. Dat toekomstige generaties niet meer zullen weten, of erger nog, niet langer zullen geloven hoe erg de situatie in die kampen was. Deze tentoonstelling is er het beste antidotum voor. Ik hoop dat ze dan ook massaal wordt bezocht.

Comments are closed.